Reportage

In de Deurnsche Peel was het vuur weg, maar de brand bleef

Veenbrand In de Deurnsche Peel brak in april een grote brand uit. Die was na vijf dagen onder controle. Maar ondergronds bleef het hoogveen smeulen.

Ellis Schreuder en Dirk Neuteboom zijn door Staatsbosbeheer ingehuurd om in de Deurnsche Peel de ondergrondse veenbranden te bestrijden.
Ellis Schreuder en Dirk Neuteboom zijn door Staatsbosbeheer ingehuurd om in de Deurnsche Peel de ondergrondse veenbranden te bestrijden. Foto Eric Brinkhorst

Zigzaggend zoeken we een weg door een dichtbegroeid en zwartgeblakerd bos in de Deurnsche Peel. Ellis, de vrouwelijke helft van aannemersbedrijf Schreuder Neuteboom, gaat voorop. Haar gezicht, armen en rode T-shirt zitten onder de roetvegen. Soms stuift er as op. Overal liggen boomwortels bloot, ze doen denken aan inktvistentakels. Dan zien we waar we naar op zoek zijn. Rookpluimen stijgen op uit de bodem. „Ik rook al dat we in de buurt van de brand waren”, zegt ze.

Ellis Schreuder is, samen met haar man Dirk Neuteboom, ingehuurd door Staatsbosbeheer om in de moeilijk begaanbare delen van de Deurnsche Peel de ondergrondse veenbranden te bestrijden die hier al anderhalve maand woeden. Een lastige en tijdrovende klus.

Na weken van warm en droog weer raasde eind april een heftige brand door dit natuurgebied, geholpen door stevige wind. Het kostte vijf dagen voordat de brandweer de bovengrondse brand onder controle had. Voor Nederlandse begrippen was het een heel grote brand. Van de in totaal 1.200 hectare natuurgebied gingen er naar schatting 800 hectare in vlammen op. Daarna verdween de aandacht van media en publiek. Het ergste leed leek geleden. Staatsbosbeheer kreeg als eigenaar en beheerder van het natuurgebied de verantwoordelijkheid over de ‘nablusactiviteiten’.

Kooltjes op de barbecue

Maar de brand hield aan, ondergronds. De nazorg blijkt een heidens karwei. Want de Deurnsche Peel is een hoogveengebied, legt boswachter Lieke Verhoeven uit, die een rondleiding geeft. „Met veen is het net als met de kooltjes op de barbecue. Als het eenmaal voldoende is opgewarmd door het vuur, blijft het heel lang smeulen.” En wat er na die eerste week ook gebeurde: af en toe vlamde het bovengronds weer op. Zoals twee weken geleden, zegt Verhoeven. „Op sommige stukken brandde het weer tot boven in de bomen. Het stond blauw van de rook.” Het leidde steeds opnieuw tot overlast voor bewoners in de omgeving.

Staatsbosbeheer heeft samen met de gemeente Deurne, de provincie Noord-Brabant en de veiligheidsregio deskundigen uit buiten- en binnenland benaderd met de vraag hoe deze veenbrand het beste is aan te pakken. Een van hen was Guillermo Rein, hoogleraar vuurwetenschappen aan Imperial College London. Aan de telefoon vertelt hij dat veen een typisch materiaal is. „Het is heel poreus. Er kan makkelijk overal lucht bij.” Hij legt uit dat het veen ontbrandt door de bovengrondse vlammen van takjes, bladeren, bomen. Daarna begint veen te smeulen en te verkolen. Afhankelijk van de dikte van het veenpakket, zegt hij, kan dat smeulen weken, maanden aanhouden. Daar waar het veen wegbrandt, krijg je gaten in de grond. Bij bomen komen de wortels bloot te liggen. „In Indonesië heb ik wel eens in zo’n diep gat gestaan dat ik uit het zicht verdween”, zegt Rein.

Je hebt enorm veel water nodig

Guillermo Rein hoogleraar vuurwetenschappen

Veen blussen is heel lastig, vertelt hij. „Je hebt enorm veel water nodig.” Want als het poreuze veen niet overal nat is, kan er toch ergens nog een droog plekje zijn waar zuurstof bijkomt, en dan ontbrandt het daar alsnog. Je kunt ook greppels om het vuur graven, zegt Rein, zodat het smeulen wordt onderbroken. „Maar je moet wel tot voorbij de koollaag graven, en die kan soms diep zitten.”

Voor de Deurnsche Peel heeft Staatsbosbeheer twee aannemersbedrijven in de arm genomen. Een voor de moeilijk begaanbare, dichtbegroeide stukken. En een voor de meer open stukken.

In het bos komt de man van Ellis op een klein rupsvoertuig aanrijden, dat ze speciaal hebben aangeschaft voor het werken op kwetsbare veenbodems. Hij manoeuvreert tussen verbrande berken door. Op de aanhanger staat een plastic vat met duizend liter water. Ellis legt uit dat ze vooral randen opzoeken waar het aan de ene kant smeult en rookt, en aan de andere kant nog onaangetast en groen is. „Je moet ervoor zorgen dat de smeulhaard niet verder kan trekken.” Die randen zijn ook de plekken waar het vuur bovengronds weer kan ontvlammen. Ellis pakt een temperatuurmeter en houdt die bij een rokend stukje grond. Na een paar seconden zegt ze: „520 graden Celsius.” De koolmonoxidemeter aan haar riem begint te piepen. Ze zet een paar stappen terug. Even later steekt ze met een schop een stuk rokende rand los. „Zodat ik makkelijker bij de koollaag kom.” Daarna giet ze er met een tuinslang water over. Ze haalt haar laarzen door de natte drab. „De smeulende koollaag neemt geen water op. Die moet je losmaken en verbreken.” Zo doen ze het al weken, bijna centimeter voor centimeter. Hoe lang ze nog bezig zijn, durft Ellis niet te zeggen. „Soms denk je een gebied te hebben geblust, en dan begint het een dag later toch weer te roken.” Dan steekt ze een wijsvinger op. „Hoor je die kraanvogel?”

‘Het was een gekkenhuis’

Boswachter Lieke Verhoeven leidt ons verder, naar een meer open deel van de Deurnsche Peel, de zogeheten Vlakte van Minke. Deze brand is haar eerste, vertelt ze tijdens de wandeling ernaar toe. „En meteen zó eentje. Die eerste week, eind april, was het een gekkenhuis.” Wat haar heeft verbaasd is de veerkracht van de natuur. Op plekken waar het drie dagen eerder nog had gebrand zag ze het pijpestrootje alweer uitlopen. Ook de adelaarsvaren keerde snel terug. Het zijn twee soorten die hier gedijen bij de vele stikstof die in het natuurgebied neerslaat – in de omgeving zitten veel veebedrijven. Heide doet er wat langer over om terug te keren, zegt Verhoeven. „Maar ook die loopt weer uit.” In mei zag en hoorde ze tijdens een eerste, snelle inventarisatie alweer heikikkers, libellen, spinnen. Ook reeën keerden snel terug, net als vossen en dassen. „En superveel vogeltjes.” Roodborsttapuit, nachtzwaluw, tjiftjaf, gekraagde roodstaart, boompiepers.

Foto Eric Brinkhorst

In de verte is het andere aannemersbedrijf aan het werk, op de Vlakte van Minke. Ook zij maken stukken grond nat. Maar in grotere stappen, met groter materieel: een giertank vol water, brandslangen, beregeningsapparatuur. We lopen door een veld vol stompen. Het zijn de compacte wortelstelsels – de zogeheten stoven – van het pijpestrootje. Het is een raar gezicht, overal diepzwarte stoven met heldergroene stengels eruit stekend. Hier en daar is het vochtig. „In de lager gelegen delen is het vrij drassig”, zegt Verhoeven. We komen bij een rug in het landschap. Er liggen er meer van verspreid in dit veenlandschap, vertelt Verhoeven. Ze bestaan uit turfstrooisel dat voor de verkoop ongeschikt was, en werd opgestapeld. Juist op deze ruggen blijkt het smeulen ook lang aan te houden. Even verderop komt rook uit de bodem. Verhoeven bukt en neemt een greep uit de bodem. „Kijk, hartstikke droog.” Ze vertelt dat Staatsbosbeheer even heeft overwogen om het waterpeil in het gebied te verhogen, om de ruggen van beneden af natter te maken en het smeulen zo te bestrijden. „Maar dan moet je het peil zo hoog opzetten, dat is ondoenlijk.”

Verhoeven kijkt op haar horloge. We zijn al drie uur onderweg, en ze moet onderhand verder met haar werk, zegt ze.

In de dagen erna valt er aardig wat regen in de Deurnsche Peel. Ook is het minder warm, vertelt Verhoeven maandag aan de telefoon. Het smeult nog maar op één plek, op de Vlakte van Minke, de plek die we als laatste bezochten. „Daar wordt nu nog een paar dagen intensief geblust.” Maar het blijft opletten. Doordat er geen rook meer is, wordt het opsporen van ondergronds smeulend veen juist lastiger, zegt Verhoeven. De regen heeft de bovenste bodemlaag wel afgekoeld, maar dieper in de grond kan het blijven smeulen. Verhoeven: „Na een paar dagen kan het zo maar weer oplaaien. We blijven controleren.” Dinsdag meldde de gemeente Deurne dat de brand onder controle is.