Foto Annabel Oosteweeghel

Interview

Als Gerald een leuke jongen zag, moest hij acuut in gebed

Onderzoek Homogenezing komt voor in Nederland, blijkt uit onderzoek, al draagt niemand expliciet uit homoseksualiteit te ‘verhelpen’. Dat aanpakken is lastig, omdat het gevaar bestaat dat de praktijken verder ondergronds gaan.

Ja: ‘homogenezing’ komt voor in Nederland. Het eerste grote onderzoek daarnaar werd vorige week naar de Tweede Kamer gestuurd. Die wilde het liefst vorig jaar al een verbod instellen, maar het kabinet wilde toch echt eerst weten waar ze het nou precies over hadden.

Er blijken zo’n vijftien organisaties en personen die het niet-hetero-zijn proberen te ‘verhelpen’, aldus het onderzoek, dat werd uitgevoerd door Bureau Beke en Ateno. Dat lijkt een heldere conclusie, maar in werkelijkheid is het allemaal niet zo duidelijk. Want wat wordt precies verstaan onder homogenezing?

De onderzoekers onderscheiden allerlei verschijningsvormen: van duivelsuitdrijvingen tot gebed, van therapieën tot een ‘counselinggesprek’. Veel van deze organisaties of personen werkten niet mee aan het onderzoek, waardoor informatie niet kon worden geverifieerd. „Het is een glibberig pad”, erkent een van de onderzoekers, Paul Gruter. „Misschien zijn het er wel 25, of 10, dat ligt aan de definitie. Homogenezing is ook een ongelukkig term.”

Er is niemand die homogenezing expliciet uitdraagt. „Nergens staat: kom bij ons en u wordt hetero.” Vaker ligt onderdrukking van homoseksualiteit in de „geïnternaliseerde geloofscultuur”: een voorganger die zegt dat homo’s een „zwaar kruis te dragen hebben”, een kerk waarin homo’s niet in de band mogen spelen.

De meer ‘actieve’ vormen vinden vooral achter de voordeur en tijdens religieuze bijeenkomsten plaats en zijn dus moeilijk telbaar. Er zijn ook kringen waar homoseksualiteit zélf niet wordt afgewezen, maar die het praktiseren ervan problematiseren. Zoals Hart van Homo’s, een organisatie die een celibataire levensstijl voorstaat.

Vooral in de kerk

De praktijken komen vooral voor in pinkster-, baptisten, en evangelische kringen. „Hier heeft men een hoge verwachting van de ‘bekeerde mens’”, legt Miranda Klaver uit, religieonderzoeker aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. „Men houdt rekening met wonderen en bidt voor het genezen van ziekten. Geloven dat God mensen kan genezen van homoseksualiteit is dan niet moeilijk.”

Klaver benadrukt dat steeds genuanceerder over homoseksualiteit wordt gedacht. „Dertig jaar geleden kon gelovig- en homo-zijn niet samen, nu alleen in extreme gevallen.”

In reformatorische kringen komt homogenezing veel minder vaak voor. „Daar blijven mensen tot aan hun dood zondaar”, aldus Klaver. „Gelovigen moeten wel tegen die zonde ‘strijden’, maar los van de zonde komen ze nooit.” Ook binnen de islam komen pogingen voor om van homoseksualiteit af te komen, maar in hoeverre dat in Nederland voorkomt is in het onderzoek niet duidelijk, mede omdat weinig moskeeën meewerkten. Bovendien komt die weerstand eerder uit schaamte voor dan uit religie, zeggen de onderzoekers.

Omdat de pinksterbeweging behoorlijk is geïndividualiseerd, is homogenezing er lastig in kaart te brengen, zegt Klaver. „Er is niet één stichting of loket. Rondreizende predikers, reli-ondernemers, self made voorgangers, iedereen kan op verzoek een gebed om verandering aanbieden.”

De enige organisatie die enigszins publiekelijk zichtbaar is, is Stichting Different, in de jaren zeventig ontstaan onder de naam Evangelische Hulp Aan Homofielen. In 2011-2012 was Different zelfs heel even een officiële ggz-instelling, waarvan therapieën werden vergoed via de zorgverzekering. Na veel media-aandacht daarover werd de vergoeding ingetrokken: Different voldeed niet aan de eisen voor het stellen van diagnoses.

„Alleen kon er daarna ook niet meer gecontroleerd worden”, zegt theoloog Marco Derks, die in zijn proefschrift over de controverse rond Different schreef. Zelf ontkende de stichting altijd dat ze nog aan homogenezing doet, maar dat het mensen helpt hun seksualiteit „een plek” te geven.

Lees: Omstreden stichting voor ‘psycho-pastorale’ hulp aan homoseksuelen stopt ermee

Therapieën privatiseren

Deze week werd bekend dat Different stopt wegens personeelsgebrek. „Organisaties hebben in dit verband hun laatste tijd gehad”, zegt Derks. Maar met het ‘privatiseren’ van de antihomotherapieën, wordt een verbod ook moeilijker. Religieonderzoekers twijfelen of dat helpt. Derks en Klaver noemen een verbod op homogenezing „symboolpolitiek”. „Omdat je het niet kan controleren”, zegt Klaver.

Ze vermoedt dat een verbod de genezingspraktijken juist onzichtbaarder maakt. Daarbij komt dat ‘slachtoffers’ vaak zélf hulp zochten, en er dus geen sprake is van dwang. „Vrijheid van godsdienst is toch een groot goed.” Derks ziet dan ook meer in het „weerbaarder maken van orthodox-religieuze jongeren”, bijvoorbeeld met voorlichting.

‘Roze’ predikant Wielie Elhorst is juist vóór een verbod „vanwege de signaalwerking die ervan uitgaat: dat we in een samenleving leven dat dit niet wenselijk wordt geacht”, ook al erkent hij het risico dat daardoor de praktijken verder ondergronds gaan.

Eind juni wordt het tweede deel van het onderzoek verwacht, met aanbevelingen over aanpak. De VVD werkt inmiddels aan een initiatiefvoorstel om homogenezing te verbieden.

Gerald (55) ‘Homo én christen? Dat kon niet’

Foto Annabel Oosteweeghel

‘Doodsbang”, was Gerald in de trein naar Amsterdam. Hij was 17 en had net zijn christelijke jeugdleider in Noordwest-Veluwe in vertrouwen genomen over zijn homoseksuele gevoelens. Zijn hulpvraag: hoe kom ik van die strijd af?

Een kennis van de jeugdleider wist hoe. Hij verwees Gerald naar de EHAH, Evangelische Hulp Aan Homofielen, die later Stichting Different zou gaan heten. Dus de jonge Gerald vertrok, in zijn uppie, naar Amsterdam. „Ik stond stijf van de stress en de spanning.” Van het gesprek kan hij zich daarom weinig meer herinneren dan de kleur van het overhemd van de man (mosterdgeel). „Een opvallend goede kledingkeuze.”

Gerustgesteld was hij niet na het gesprek. „Ik begreep dat er van alles moest gebeuren.” Als hij in het vervolg een leuke jongen zag, moest hij acuut in gebed. Eerst een „redelijk succesvolle” verdringingsmethode.

In zijn interkerkelijke groep op de Veluwe („heel radicaal, maar heel gezellig”) kreeg hij oog voor een mooi, intelligent meisje. Zij was zijn hoop op een „gebeiteld” leven, een zorgeloze toekomst. „Maar ik was hopeloos gefrustreerd. De relatie zou geen succes kunnen worden. Toen ik dat besefte, stortte mijn wereld in.”

Als student in Zwolle kwam Gerald uit de kast, maar naar zijn familie in Elburg bleef hij stil. ‘Forenzen’, noemt hij dat, tussen homo en christen. Want homo én christen, dat kon niet.

Pas toen hij met een man samenwoonde in Amsterdam – Zwolle was te dicht bij de Veluwe „met al die vrome mensen om me heen” – vertelde hij zijn familie over z’n homoseksualiteit. Zijn ouders reageerden goed. „Dus dát ging je doen in Amsterdam”, zeiden ze. Zijn dertien jaar oudere broer kwam daarna ook uit de kast voor z’n ouders.

In Amsterdam zwoer Gerald het geloof af. „Het was voor mij alles of niks.” In het spannende Amsterdamse nachtleven ging een wereld voor hem open. Maar het gaf hem niet de voldoening die hij verlangde. Hij was ongelukkig, tegen het depressieve aan. „Ik had geen rekening gehouden met dat stukje in mezelf dat het fijn vindt om in God te geloven.”

Hij raakte weer geïnteresseerd in de boodschap van de bijbel, waarmee hij wél een klik had. Zijn eigen homofobie nam weer de overhand. „Ik wilde geen homo zijn, ik wilde een vrouw en kinderen.” Hij ging opnieuw in therapie.

In het ziekenhuis viel een collega op. Hij had respect hoe ze omging met kinderen met kanker. Ze maakte een verlangen los tot een ‘gewoon’ leven. Hij vertelde haar alles. Eenmaal van de eerste shock bekomen, zei ze: ik wil met jou verder. Binnen een jaar was er een kind op komst en trouwden ze. Er kwam nog een kind. Ze gaven enorm om elkaar, maar de intimiteit raakte buiten beeld. Gerald voelde zich steeds meer tekortschieten als echtgenoot. Afleiding zocht hij in de kerk en vluchtige contacten. „Dan was de druk van de ketel, je probeerde het daarna zo snel mogelijk te vergeten en je ging weer door.” Op een gegeven moment vertelde hij zijn vrouw alles over zijn hernieuwde belangstelling voor mannen, al duurde het nog een jaar voor ze elkaar helemaal konden loslaten. Dat is nu twee jaar geleden. Gerald wil niet met zijn achternaam in de krant, om zijn familie te beschermen.

Hij is nu coördinator bij de organisatie ChristenQueer. Bijbelvrienden behoren nog steeds tot zijn intiemste vrienden. „Ik ben blij dat je weer terug bent, zoals je nu bent, zeggen ze.” Hij neemt niemand wat kwalijk. Er was geen sprake van kwade bedoelingen, zegt hij. Niet van zijn jeugdleider, niet van EHAH. Daarbij speelt mee dat hij niet alleen slachtoffer is. „Ik ben ook slachtoffer van mezelf. Van m’n eigen starheid. Ik wilde te graag. Toen ik daar niet meer tegen vocht, was het voor mij als thuiskomen.”

Johan Verweij (34)Take it or leave it . Dit is wie ik ben’

Foto Annabel Oosteweeghel

De eerste keer dat Johan verliefd werd op een jongen, was op de camping. De jongen stond tegenover hem. Hij was 16 en kon er niet van slapen. „Toen wist ik: jij bent hartstikke homo.”

Na de vakantie werd het thema homoseksualiteit besproken tijdens catechisatie (bijbelonderwijs). „Wat vinden jullie van homo’s?”, vroeg de predikant. „Die branden voor eeuwig in de hel”, zei iemand. „Dat was voor mij de druppel”, zegt Johan. „Ik kon het niet meer bolwerken.”

Hij kwam uit de kast naar zijn ouders. Zijn coming out werd „redelijk goed” ontvangen: je mag het wel zijn, maar het niet doen. Alleen maar goede intenties, zegt Johan. „Het was onmacht. Ze wisten niet hoe ze ermee moesten omgaan.”

Al vanaf zijn zevende ‘wist’ Johan dat hij homo was. „Het hoorde gewoon bij mij.” Zelf was hij niet zozeer overtuigd dat zijn homoseksualiteit verkeerd was, maar uit angst voor afwijzing en veroordeling hield hij dat lang voor zichzelf.

Binnen de Gereformeerde Bond, een stroming binnen de Protestantse Kerk, werd er bijna nooit over homoseksualiteit gesproken. En áls, dan waren het mensen die „een zwaar kruis te dragen hadden”. In de boekenkast van zijn vader stond een boek van een Amerikaanse psychotherapeute die ervan uitgaat dat je door gebedsgenezing van je homoseksualiteit af kan komen. „Ik dacht: dit is de weg die ik moet gaan.”

De maatschappelijke stage op de (reformatorische) middelbare school gaf hem de gouden kans. Hij ging stage lopen bij Naar House, een stichting die op straat het evangelie van Jezus Christus verspreidt. Drie dagen per week stond hij op straat.

Hij vertelde zijn nieuwe vrienden over zijn homoseksuele gevoelens en het boek in de kast van z’n vader. „Zij dachten dat homoseksualiteit verbonden was met onreine geesten, waarvan ik bevrijd kon worden.”

Op een slaapkamer van een vriendin werden Johans onreine geesten uitgedreven. Hij op zijn knieën, zijn vrienden in een cirkel om hem heen. Na de duivelsuitdrijving werd God in de kamer uitgenodigd, om hem te vervullen met de Heilige Geest. Johan voelde zich achteraf bevrijd. „Ik dacht: ik hoor er weer bij.”

Na de middelbare school volgt Johan een jaar bijbelschool in zijn pinkstergemeente, Nehemia Ministries in Zwijndrecht. Hier wordt regelmatig voor hem gebeden om hem kracht te geven verleidingen voor mannen te weerstaan. Hij deelt zijn bevrijdingservaringen actief met andere jongens die hem benaderen over hoe ze met hun homoseksuele gevoelens moeten omgaan.

Maar zijn eigen gevoelens gingen niet weg. „Ik liep zo vaak vast, dat kon ik niet rijmen met wat ik las in de Bijbel: dat je je leven ten volle moet leven.”

Op een gegeven moment houdt hij het niet meer vol. Op de vloer van een antikraakpand in Rotterdam richt hij zich rechtstreeks tot God: ik kan dit niet meer, Heer, ik kies voor de liefde. „Ik dacht altijd dat er dan een donderslag of bliksemschicht zou komen, of dat ik ziek zou worden. Maar ik voelde alleen maar ruimte en vrijheid. Het was zo bijzonder. Dit is wie ik moet zijn, wist ik.”

Hij werd al snel verliefd. „Ik ging ineens gevoelens herkennen. Dat was zo fantastisch. Dit is het leven ten top, wist ik.” Met zijn eerste relatie, ook gelovig, ging hij nog naar de kerk, onder andere naar eentje waarvan de voorganger was getrouwd met een man. In Amsterdam ging hij naar de Evangelische Roze Vieringen.

Hij raakte 90 procent van zijn oude vrienden kwijt. Eén vriendin bleef hem zien, maar zei later: ik wil wel met je omgaan, maar dan mag je niet meer over je homo-zijn praten. „Toen ging er een lichtje uit. Take it or leave it. Dit is wie ik ben.” Zijn psycholoog leerde hem dat hij altijd trouw moet blijven aan wat hij voelt. „Dat is de nieuwe leidraad geworden van mijn bestaan.”

„Ik had alle reden om er een einde aan te maken”, zegt hij. „Toch heb ik de kracht gekregen dat niet te doen.” Wat hem daarvan heeft behoed? „Mazzel. Ja, dat denk ik echt. Geluk. En misschien m’n oudste zus, die was er altijd voor me.”

Dat mensen „hun eigen brein niet gebruiken” en alles geloven wat tegen ze wordt gezegd, verwijt hij zijn oude christelijke omgeving nog het meest. „Dat lijkt op machtsmisbruik. Een beetje griezelig.”

De Nashville-verklaring begin 2019 was voor hem de aanleiding om het boek Het roze schaap over zijn ervaringen te schrijven, waarin hij contact zocht met het nieuwe bestuur van Naar House. Die zeiden te hebben gebroken met de gebedsgenezingen, en vroegen hem om vergeving.