Opinie

De sterkste

Ellen Deckwitz

Afgelopen weekend zat ik op het pleintje met mijn zus en haar jongste (11) ook maar wat te ademen toen hun buurman (37) overstuur kwam aangelopen. Wat bleek: hij was tijdens zijn avondwandelingetje net-niet beroofd. „Hoezo net-niet”, vroeg mijn zus, waarop hij vertelde hoe er in het park opeens een clubje tieners voor zijn neus had gestaan met het verzoek om zijn mobiel en portemonnee in te leveren.

„Het was twaalf tegen een”, gruwelde de buurman. „Gelukkig kwamen er net twee agenten aangefietst, maar het sinistere is dat die snotneuzen zelfs nog even aarzelden toen ze hen zagen. Eentje zei zelfs dat ze hen wel konden hebben. Gelukkig maakten ze zich alsnog uit de voeten, maar mij krijg je nooit meer het park in.” Verward ging hij naar huis.

„Jeetje”, zei mijn zus.

„Hoezo wilden ze het tegen agenten opnemen?!”, zei mijn neefje onthutst.

„Nou ja”, zei mijn zus, „ze waren met meer.”

Mijn neefje zweeg verbouwereerd. Je hoorde zijn hersens haast kraken om te kunnen bevatten dat de politie soms machteloos staat tegenover minderjarigen.

„Dus je veiligheid is nooit helemaal zeker”, zei hij langzaam. We wilden niet knikken, maar ja, we wilden ook niet liegen. Er is nou eenmaal een politietekort, dat dankzij alle bezuinigingen en vergrijzing de komende jaren alleen nog maar zal toenemen.

‘Er zijn genoeg mensen die zich wél aan de wet houden”, zei mijn zus sussend.

„Daar had de buurman net niets aan”, bitste mijn neef.

„Je bent supergroot en sterk voor je leeftijd”, probeerde ze, en mijn neef haalde zijn schouders op. Dat hielp natuurlijk niets als hij tegen een overmacht stond. Ik moest denken aan een passage uit Arthur, koning voor eens en altijd van T.H. White, waarin de toekomstige koning Arthur en zijn pleegbroer Kay nog kinderen zijn en regelmatig met elkaar vechten. Kay is ouder en veel sterker, maar, zo schrijft White, „…hij was ook nerveuzer en had een groter inbeeldingsvermogen. Hij kon zich het effect van de klappen die werden uitgedeeld levendig voorstellen en dat verzwakte zijn verdediging.”

Als iemand een grote verbeelding heeft, dan is het mijn neef wel. Hij staarde somber voor zich uit, verlamd door zijn eigen fantasie. Ik probeerde krampachtig de mijne in te zetten, hem voor te houden dat dit een incident was, maar het kwaad was al geschied. Hij had een glimp opgevangen van wat we tot dusver voor hem verborgen hadden gehouden: dat het onzichtbare net van wetten en regels geen garantie is voor veiligheid. Dat sommigen, hoe oneerlijk ook, wegkomen met geweld. En dat hij in een wereld leeft waarin, hoeveel verbeelding hij ook heeft, er soms maar sprake is van slechts één soort recht: dat van de sterkste.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.