Asta Nielsen: de eerste filmgodin

Biografie Asta Nielsen was een van de eerste echte filmsterren, maar is nu niet meer heel bekend. Een nieuwe biografie moet daar verandering in brengen.
Asta Nielsen in de film Afgrunden, uit 1910.
Asta Nielsen in de film Afgrunden, uit 1910. Foto Ullstein Bild/Getty Images

De Deense actrice Asta Nielsen (1881-1972) was een van de eerste wereldsterren in film. Ze is niet helemaal vergeten, maar heel beroemd is ze tegenwoordig ook niet meer. Rond 1910 – een periode van snelle globalisering – was ze een mondiaal fenomeen. Nielsen bleef vervolgens vijftien jaar lang een van de allergrootste sterren van de zwijgende film: bezongen door dichters, aanbeden door soldaten in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog en bedolven door post van vrouwen die zich herkenden in haar vrijgevochten en rebelse personages.

Vanaf het midden van de jaren 20 raakte haar carrière in het slop. Dat viel samen met de opkomst van de geluidsfilm. Maar de reden was niet dat Nielsen niet overweg kon met tekst en dialogen; ze was met haar diepe, donkere stem ook een begenadigd toneel-actrice. Wel was Nielsen op dat moment de veertig al gepasseerd en haar filmwerk droogde gewoon op – dat is in de afgelopen honderd jaar niet echt veranderd.

Het melodrama Afgrunden (‘De afgrond’) betekende in 1910 haar spectaculaire doorbraak. Daarin was Nielsen te zien als pianolerares Magda, die wegloopt met een jongen van het circus. Een erotisch geladen dansscène stuitte onder meer in Noorwegen op bezwaren van de censuur. In Denemarken liet de censor de scène ongemoeid: Nielsen had bij haar dans zo’n vertwijfelde uitdrukking op haar gezicht, dat de kijker toch niet op onkuise gedachten zou komen. Zulke controversen waren natuurlijk de beste reclame die Nielsen zich kon wensen.

Na haar doorbraak volgenden de films elkaar in rap tempo op; een draaiperiode duurde destijds nooit langer dan twee weken. Nielsen maakte gemakkelijk acht films per jaar. Ze speelde een Britse feministe die zich te buiten gaat aan burgerlijke ongehoorzaamheid in Die Suffragette (1911). In 1921 was ze te zien in haar filmversie van Hamlet – een lievelingsproject waarin ze alle artistieke beslissingen in eigen hand nam. Nielsen speelde ook veel prostituees en andere tragische verschoppelingen – onder meer in Dirnentragödie (1927).

Heft in eigen hand

Dat we niet meer de hele dag aan Asta Nielsen denken, heeft veel te maken met de manier waarop de filmgeschiedenis wordt geschreven. Die geschiedenis is grotendeels opgehangen aan grote regisseurs; acteurs spelen meestal een ondergeschikte rol. Maar Nielsen was veel meer dan alleen een ‘uitvoerend kunstenaar’.

De actrice was, zoals biograaf Barbara Beuys bewonderend vaststelt in Asta Nielsen. Filmgenie und Neue Frau, iemand die haar leven altijd zoveel mogelijk in eigen hand wilde houden. Ze groeide op in een arbeidersgezin met een ziekelijke vader en een moeder met nogal losse handen. Op haar veertiende werd Asta geacht te gaan werken en financieel bij te dragen aan het huishouden. Maar ze hield vast aan haar droom om aan het toneel te gaan. Haar levensfilosofie was: „Eis het uiterste van jezelf – wacht niet op anderen.”

Haar belangrijkste films maakte Nielsen in nauwe samenwerking met haar opeenvolgende echtgenoten en partners: Urban Gad, Ferdinand Wingardh en Gregori Chmara. In zulke constellaties behield ze altijd een stevige vinger in de pap bij de productie van haar films. Bij de incidentele keren dat ze wél met een beroemd regisseur werkte ontstonden er problemen. Met G.W. Pabst maakte ze Die freudlose Gasse (1925). Dat was geen ervaring waarop ze met voldoening terugkeek („Hij had geen talent. Ik ben verbaasd dat er toch nog wat van hem is geworden.”) Met de al even legendarische Ernst Lubitsch botste ze publiekelijk omdat hij te veel had gesneden uit haar grote dramatische scène in Rausch (1921).

In geschiedschrijving die is opgehangen aan grote regisseurs zal Nielsen daarom niet snel opduiken. Maar dat er zoiets als een Europese kunstfilm kon ontstaan – naast Hollywood – was ook haar verdienste. Nielsens artistieke ambities met het nieuwe medium film waren grenzeloos. In de overgang van eenvoudige films naar volwaardig drama van speelfilmlengte heeft ze belangrijk pionierswerk verricht.

Spirituele erotiek

Nielsen stond bekend om haar veelzijdigheid en ging in haar rollen van koningin naar ballerina en Inuit. Met haar tengere lichaam en grote donkere ogen voldeed ze niet aan het stereotype van de voluptueuze ‘seksbom’. Maar juist daarom kon ze zich zoveel sensualiteit permitteren en toch de censuur steeds omzeilen; bewonderaars spraken van haar ‘spirituele erotiek’.

Ze was een donker type. Voor sommige conservatieve Denen maakte dat haar niet tot een ideaal exportproduct. Ze zagen liever een ‘gezonde’ blonde vrouw als boegbeeld. Jarenlang gingen er geruchten dat ze ‘zigeunerbloed’ had.

Nielsen groeide uit tot een soort symbool van niet één, maar twee moderne literaire bewegingen. De eerste was het naturalisme, dat de burgerlijke hypocrisie rond thema’s als huwelijk, prostitutie en seksualiteit op de korrel nam. Later was ze een favoriet onderwerp van expressionistische dichters, die zochten naar diepe extatische ervaringen in de moderne tijd. De avant-gardedichter Paul van Ostaijen bezong haar pagina’s lang in zijn bundel Bezette stad (1921) als „Onze lieve Vrouw van Denemarken” en „De grootste troost van moeë mensen.”

De dichter zal een geestverwant in haar hebben herkend. Nielsen was zelf in haar werk ook op zoek naar zulke grote en overweldigende gevoelens: „Mijn zenuwen waren altijd tot het uiterste gespannen. Anders kon ik niet filmen.”

Nielsen was daarnaast de lieveling van prominente critici. Het werk van critici zoals Siegfried Kracauer en Béla Balázs geldt inmiddels als klassiek. Maar Nielsens films, die een belangrijke inspiratiebron voor hen waren, gingen deels verloren of raakten in de vergetelheid.

De nieuwe biografie van Barbara Beuys brengt daar hopelijk enige verandering in. Beuys verrichtte hardnekkig speurwerk in Nielsens archief aan de Zweedse universiteit van Lund. Ze kan zo veel simplificaties, omissies en regelrechte onwaarheden rechtzetten die te vinden zijn in Nielsens memoires.

Beuys laat de lezer over haar schouder meekijken bij haar spit- en graafwerk. Daardoor leest haar boek soms bijna als een detectiveroman. Haar bewondering voor haar hoofdpersoon werkt aanstekelijk en – belangrijker nog – overtuigend. Misschien zou Asta Nielsen een standbeeld moeten krijgen.

Correctie 18 juni: in een eerdere versie van dit artikel werd de film ‘Afgrunden’ vertaald als ‘Afgrond’. Dat moet zijn ‘De afgrond’, en is hierboven aangepast.