Opinie

Welke generatie is het kind van de rekening?

Menno Tamminga

Twintig jaar geleden pleitte toenmalig PvdA-fractievoorzitter Ad Melkert voor aflossing van de complete staatsschuld in één generatie. De schuld bedroeg toen 227 miljard euro. In 2025 moest die op nul staan.

Het was optimisme troef toen. De economische groei maakte schuldaflossing mogelijk. Melkerts oproep was een kantelpunt. De partij die er van oudsher geen mee moeite had om schulden te maken teneinde leuke dingen voor de mensen te doen, had zich bekeerd tot begrotingsconservatisme. Want: de vergrijzing (stijgende AOW- en zorgkosten) kwam eraan en volgende generaties moesten met een schone lei kunnen beginnen.

Het bleef, bij alle partijen, bij vrome voornemens.

Vorige week pleitte president Klaas Knot van De Nederlandsche Bank in de Tweede Kamer voor het tegenovergestelde. Maak geen haast met de afbetaling van de extra staatsleningen (100 miljard euro of meer) om de crisis te bestrijden. Smeer dat maar over generaties uit. Dat is dus veertig jaar of meer.

Lees ook deze column van Maarten Schinkel: Een oorlogsrecessie, maar dan in vredestijd

Is dat weer een kantelpunt? Knots instituut, dat van oudsher de grootste moeite heeft met ongebreidelde financieringstekorten, bekeert zich tot het schuldenopportunisme?

Knot vindt het, net als het kabinet, hét moment om de buffers te gebruiken die de afgelopen vijf jaar zijn gevormd.

Zijn optreden was vervreemdend. Alsof je een dominee van zijn geloof zag vallen. Live. Losbandige schulden waren de duivel, nu zijn ze onze beste kameraad. Knot stond niet alleen. Directeur Pieter Hasekamp van regeringsadviesbureau Centraal Planbureau (CPB) bleek er ook zo over te denken. De eensgezindheid om dit kabinet én het volgende én het daaropvolgende niet voor de voeten te lopen, is vrij onbegrijpelijk. Knot en Hasekamp sturen zichzelf op vakantie. Als instituten zoals het CPB en de centrale bank, twee doorgewinterde voorvechters van prudent begrotingsbeleid, de regering niet meer confronteren met haar keuzes, wat dan? Als zij zeggen: mañana, mañana, dan wordt regeren met de geldkraan open wel heel aantrekkelijk.

En waarom zijn ze zo toegeeflijk? Zo’n pandemie is er maar eens in de honderd jaar, profeteerde Knot. Kan zijn. Of niet. Mijn gedachten dwaalden af naar het hoogwater dat in 2002 grote delen van het Oosten van Duitsland overstroomde. Een Jahrhundertflut. Een eens-in-de-honderd-jaar overstroming, zeiden deskundigen geruststellend. In 2013 stonden de getroffen steden weer onder water. Beetje een korte eeuw.

Dan de buffers. Als je die nu niet gebruikt om de crisis te keren, wanneer dan wel, zeiden Knot en Hasekamp in koor. Gelijk hebben ze. Overheidsgeld zorgt ervoor dat ondernemingen, zelfstandigen en werknemers, al is het deels op halve kracht, in bedrijf blijven.

Maar let op dat woord: buffers.

In mijn huishouden is een buffer een bezit. Spaargeld om pech en risico’s op te vangen. Voor de vervanging van een cv-ketel. Of de kapotte wasmachine. Zo denkt het Nibud, het voorlichtingsinstituut voor geldkwesties van consumenten, er ook over. Een buffer is een financiële reserve voor onverwachte en grotere uitgaven, zegt het Nibud.

Maar in de economische politiek is een buffer wezenlijk anders. Daar is een buffer het geld dat de overheid kan lénen omdat er genoeg ruimte is na vijf jaar bezuinigen én spectaculaire economische groei. Buffers zijn in Den Haag geen bezit. Buffers zijn daar juist nog meer schulden.

Zo vertellen Knot en Hasekamp een variant van het sprookje van de nieuwe kleren van de keizer. De betekenis van vertrouwde en geruststellende begrippen wordt zo omgedraaid. Schulden heten buffers en na onze schuldenvloed lossen volgende generaties die leningen nog wel eens af. Ooit

Menno Tamminga schrijft op deze plaats elke dinsdag over ondernemingsbeleid en economie.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.