Grafrite met tekeningen in IJstijdgrot in de Dordogne

Archeologie Een prehistorisch grafritueel met uitgesorteerde botten kan in verband staan met tekeningen in dezelfde grot, Cussac in Frankrijk.

In de prehistorische grot van het Franse Cussac (Dordogne) zijn 25.000 jaar geleden minstens zes mensen begraven op bijzondere wijze, waarbij in vijf van de zes ‘begravingen’ na de eerste ontbinding lichaamsdelen zijn verwijderd en opnieuw zijn verdeeld over verschillende plekken in de grot. Mogelijk is de eerste vertering deels buiten de grot geschied. Ook zijn de schedels van vijf van de zes begraven individuen verdwenen.

Dit blijkt uit een gedetailleerde analyse van het menselijke botmateriaal in deze twintig jaar geleden ontdekte grot. Dat dieren met de botten waren gaan slepen is onwaarschijnlijk. Sporen van dieren zijn ook niet teruggevonden in de grot, op klauwsporen na van holenberen die de grot kennelijk gebruikten voor overwintering. Op sommige botten zaten ook resten van rode oker, kleurstof die bekend is van andere IJstijdbegravingen en misschien als ‘levenskleur’ gold. Het onderzoek onder leiding van Sébastien Vilotte (Université de Bordeaux) en Erik Trinkaus (Washington University in St. Louis) wordt deze week gepubliceerd in de PNAS.

Het menselijk gebruik van de grot vond plaats op een hoogtepunt van de laatste IJstijd, toen Frankrijk een soort toendragebied was. De neanderthalers waren toen, 25.000 jaar geleden, al uitgestorven. De ‘Gravettien’-cultuur van de moderne mensen die dan Europa bevolken, kende een ongekende bloei. In deze tijd zijn een zeer groot aantal rotstekeningen en andere kunstuitingen gemaakt. Volgens sommige onderzoekers zijn toen ook de pijl en boog uitgevonden, en de speerwerper, de atlatl. Ook Cussac staat bekend om een grote hoeveelheid gegraveerde tekeningen van honderden bizons, mammoeten en paarden. Er zijn opvallende tekeningen van vrouwensilhouetten te vinden, enkele voetsporen en ook roetsporen van fakkels.

In kalksteen gegraveerd vrouwensilhouette in de Grot van Cussac, 25.000 jaar oud.

Foto Bull. Soc. préh. fr. t99/1 (2002) / CNP, Ministère de la Culture

Volledig vergane schedel

Met één begraven volwassen Gravettien-jager/verzamelaar lijkt niets te zijn gebeurd: zijn skelet is alleen een beetje verstoord tijdens een latere overstroming. Van twee anderen, een volwassene en een jonge adolescent, zijn de botten vermengd, waarbij de heupbotten zijn verwijderd. Vervolgens zijn de tanden (met mogelijk de nu volledig vergane schedels) op een andere plek gelegd dan de rest van de beenderen. Op weer een andere plek in de grot liggen botten (maar niet de schedel) van een adolescent op een schuin aflopende wand, een eindje verder op dezelfde wand liggen de vermengde beenderen van twee volwassenen, met beenderen van het bovenlichaam apart gelegd van het onderlichaam - ook zonder schedel. Mogelijk liggen ook beenderen van de adolescent ertussen.

Volgens Vilotte en Trinkaus sluiten hun bevindingen nauw aan bij conclusies van een onderzoek van de rotstekeningen dat vorig jaar verscheen in de Journal of Archaeological Science. Een deel van de soms enorme gravures in de zachte kalksteen van de wanden van de oude tunnel van een ondergrondse rivier wordt daarin gezien als ‘wegwijzers’ op een soort spirituele tocht door de in totaal 1,6 km lange grot. Maar de grote panelen met veel overlappende en soms maar moeilijk te onderscheiden tekeningen worden gezien als ‘performance-kunst’. Die tekeningen zouden, gezien die vele overlappingen en grote ruimtes waarin ze op de meest zichtbare plek werden gemaakt, wel eens gegraveerd kunnen zijn mét publiek. Zo zou een verhaal zijn verteld dat nu niet meer te achterhalen is, maar dat volgens de bottenonderzoekers past bij de vele manipulaties van de begraven botten die zij kunnen reconstrueren. Het was één ritueel, denken ze.

Afscheidsritueel

Ook is het mogelijk nog een extra betekenis toe te kennen aan het feit dat de botten in veel gevallen gelegd zijn in holtes in de grotvloer die eerder door holenberen gebruikt zijn voor overwinteringen. Dat schrijft tenminste de Britse archeoloog Paul Petitt in zijn overzichtswerk The Palaeolithic Origins of Human Burial (2010) in een analyse van de graven in Cussac. In navolging van een suggestie van de Nederlandse archeoloog Alexander Verpoorte houd Petitt een soort ‘opstandingssymboliek’ voor mogelijk: beren ‘sterven’ in de winter maar komen in de lente weer tot leven. Of misschien is er een simpele associatie met de dood omdat de bewegingsloze lichamen van de overwinterende beren voor de jagers/verzamelaars in de grotten een bekend verschijnsel moet zijn geweest, aldus Petitt.

Het enige graf in de Grot van Cussac, van een volwassen man, waarvan de botten niet zijn gemanipuleerd en waarvan ook de schedel nog aanwezig is.

Pascal Mora

Trinkaus en Vilotte schetsen een soort afscheidsritueel in fasen waarbij de doden eerst verteren in de ‘grensplaats’ van de berenholte (of buiten de grot) waarna vervolgens hun individualiteit ‘vermengd’ wordt door verwijdering van de schedel en verdeling van de vermengde botten over specifieke plekken in de grot.

Onderzoek van de grot is erg moeilijk omdat alleen in de winter het gehalte aan CO2 (dat uit de kalk ontsnapt) laag genoeg is om de grot te betreden. Ook moeten onderzoekers op een strikt afgebakend pad blijven, om verstoring van het archeologisch materiaal te voorkomen.