Opinie

Gezellig uitgaan

Frits Abrahams

Uitgaan en winkelen is niet meer wat het geweest is – en zal dat voorlopig ook niet meer worden. Ik liep zondagmiddag langs de Apple Store op het Leidseplein in Amsterdam en dacht even dat het een medische hulppost was geworden, ijlings opgericht na een catastrofe (bom op De Balie?) in de buurt.

Voor de ingang bevonden zich twaalf mondgekapte medewerkers in grijze bedrijfsshirts, een van hen stond achter een hoog karretje met allerlei desinfectiespullen, een ander nam de lichaamstemperatuur van de klanten op met een eigenaardige thermometer die ze streng tegen al die voorhoofden drukte – het zag er vanuit de verte uit als een pittig pistooltje voor maffiosi in hun vrije tijd. Er was ook iemand die vragen stelde aan iedere klant die naar binnen wilde.

Ik probeerde terzijde belangstellend een bord met waarschuwingen en voorschriften te lezen toen een brede veiligheidsman me maande opzij te gaan. Tegen politiemensen, bewakers en suppoosten moet je altijd zo lang mogelijk vriendelijk blijven, voor je het weet leggen ze je over of onder hun knie. Dus zei ik: ,,Ik wilde juist jullie bord lezen, als u het niet erg vindt.’’ Hij vond het niet erg, zodat ik mocht lezen wat Apple Store onder meer van zijn klanten verlangde: mondkapje om, lichaamstemperatuur laten opnemen, binnen twee (twee!) meter afstand houden.

Gelukkig hoefde ik er niet te zijn. Enkele dagen eerder was de situatie hachelijker toen ik bij Foam op de Keizersgracht de tentoonstelling van de straatfotografe Vivian Maier wilde bezoeken. Ik had een tijdslot om elf uur in de morgen gereserveerd, niet vermoedend dat uitgerekend op dat tijdstip een woeste regenbui langdurig zou losbarsten.

Daar stonden we (ik had mijn vrouw meegevraagd om het nóg gezelliger te maken) om vier minuten voor elf als enigen voor de ingang, die geen beschutting bood. Een buitengewoon vriendelijk uitziende jonge medewerkster had zich in de wél beschutte deuropening opgesteld en zei inderdaad buitengewoon vriendelijk: ,,U bent vier minuten te vroeg, wij kunnen u helaas niet binnenlaten.’’

In de stromende regen vonden wij op de hoek een schuilplaats, waar we drieënhalve minuut hadden om het coronatijdperk hartgrondig te vervloeken; het was niet voldoende.

Toen we bij Foam eindelijk naar binnen mochten, kregen we te horen dat er geen garderobe was, zodat we onze natte jassen niet konden uitdoen, althans, je kon ze wel uitdoen, maar dan moest je ze druipend meezeulen, mét je doorweekte papaplu’s, omdat er ook geen paraplubak meer was. Fijn dat we niet naar de wc hoefden, want die was ook opgeheven.

Ik begon me al ongerust af te vragen of Vivian Maier er wél was, maar dat viel mee. Ze was er alleen niet in zwart-wit, maar in kleuren – ook mooi, maar toch niet zo verrassend als in 2014, bij die eerste, onvergetelijke tentoonstelling in Foam.

Na afloop bleek het café van Foam geopend. Je kon er heerlijk opdrogen. Alles leek toch nog goed te eindigen, totdat ik het dopje op de handgreep van mijn paraplu op de grond liet kletteren. Een alweer buitengewoon vriendelijk uitziende jonge vrouw raapte het voor me op, maar aarzelde bij het aangeven. Anderhalve meter! Ik aarzelde ook waardoor het dopje er weer over de gladde vloer vandoor kon gaan. Onthutst zagen we toe.

Komt het ooit nog goed?