Opinie

Cirkel

Marcel van Roosmalen

Opeens zat ik op een terras in de Staatsliedenbuurt in Amsterdam de herwonnen vrijheid te vieren. Niets fijner dan de drukkende warmte in de stad. Van Limburg Stirum-plein, het terras van café de Gruyter.

Ik was er in een ander leven wel eens geweest, toen heette het nog ‘Tramlijn Begeerte’, bij een vergadering van het tijdschrift van de vereniging voor dienstweigeraars, VeedeeAmok. Asbakken, vergeelde vingers, koffie verkeerd en een eindredacteur met een staartje die een ingelijste foto van een brandende tram, lijn 10 geloof ik, aan de muur ‘een belangrijk relict uit de kraaktijd’ noemde. Alsof het om de Franse revolutie ging.

Met terugwerkende kracht, dacht ik , maar dat kan ook door de gin-tonic komen, hoe prettig weinig er eind jaren tachtig eigenlijk gebeurde. Je hoefde maar naar een foto te wijzen om de ander eraan te herinneren dat je eigenlijk een revolutionair was. En dan werd Nederland ook nog Europees Kampioen.

Achter ons was een gesprek gaande in sappig Amsterdams over het nieuwe uitshirt van Ajax. „Ik vind het mooi hoor”, zei een jongen, „met van die schubbetjes, net als dat shirt in 1988.”

Er passeerde een man met een mondkap en zonder schoenen, steeds harder voor zich uit zingend. Mijn gezelschap, een oude vriend, die zich graag afficheert als een echte Amsterdammer, keek hem na en zei dat hij ook in het appartementencomplex waarin de man verdween had gewoond. Kleine kamers, in de zomer was het er loeiheet.

„Die noemden we gekke Henkie”, zei hij, „die woonde er in 1993 ook al. Hij piste in het trappenhuis.”

Mijn vriend, net vijftig, lag in scheiding, maar concludeerde alvast voorzichtig hardop dat hij goed uit de corona-tijd was gerold. Hij had nog nooit zo gezond geleefd.

„Ik fiets, ik voetbal weer in het park, ik word nog steeds niet kaal en ik drink steeds vaker alcoholvrij bier.”

Een paar tafels verderop stak iemand een sigaret aan. Hij werd meteen aangesproken en met zachte hand buiten de plastic schermen gedwongen.

Hij sjokte naar de andere rokers, die in plukjes van maximaal drie op de rotonde hingen, vlakbij de plek waar ooit een brandende tram stond.

Ik had opeens het idee dat de cirkel rond was, dat ik heel veel veranderingen had meegemaakt. Mijn gezelschap pakte mijn gin-tonic af en vroeg of ik mijn mond wilde houden.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.