Opinie

Het standbeeld van Bep staat nog overeind

Wilfried de Jong

Er liep spinrag van het rechteroor naar de kaak van Bep van Klaveren. Dat duidde op langdurige stilstand. Schaars gekleed in een bronzen broekje stond de bokser voor me, met de vuisten klaar om te stoten. ‘Bengggg!’ Een spet voor je kiezen. Standbeelden staan er vaak maar een beetje bij. Zo ook Bep aan de Boezemsingel, in de buurt van zijn geboortegrond Crooswijk. Wie kijkt nog op naar de Rotterdamse vechtjas die in 1928 een gouden medaille won op de Olympische Spelen?

De afgelopen weken waren standbeelden volop in het nieuws. Ze werden beklad, aangevallen, verdedigd, van de sokkel getrokken.

Ik liep een rondje om Van Klaveren (1907-1992) heen. De beeldenstorm was aan hem voorbijgegaan. Bep stond in niemandsland. Geen sporen van voetbalsupporters die een paar dagen terug nog poseerden bij het beeld van Pim Fortuyn en ook geen vers politiek bosje bloemen met sjerp (#onzehelden) vlak voor zijn schoenen.

Tja, helden.

Het sterft van de helden. Het woord is enigszins aan erosie onderhevig. Je bent een sukkel als je niet één keer in het bestaan dat predicaat op de borst gespeld hebt gekregen. Red een kat uit een boom en eeuwige roem is je deel. Maak een doelpunt in een belangrijke wedstrijd en je naam gaat op de vlag.

Achter de rug van Beps beeld ligt zorgcomplex Hoppesteyn waar in de zwaarste coronatijd mensen aan het bed stonden die met gevaar voor eigen gezondheid voor levens vochten. Nederland klapte voor hun ‘échte helden’.

Bep is geen held van mij. Ik heb sowieso geen helden. Ik had een vader en een moeder, daar prijs ik me al gelukkig mee. Bewonderen, dat doe ik wel, maar dat is wat anders. Bewondering zit in mijn hoofd en hart en heeft geen sokkel nodig.

Bep was een markante bokser met een geheel eigen vocabulaire. In het boek The Dutch Windmill schreef stadsgenoot Jules Deelder de taal van Bep fonetisch op. Ik herlas het en vond woorden uit een andere tijd: ‘temeier, pleurismoffen, doodskophuzaar, vleesrijer.’

Bep was een volksjongen uit Crooswijk, hij woonde een tijd in de Verenigde Staten en zat in militaire dienst op Aruba en in Paramaribo en verbleef op Nieuw-Guinea. Hij was een wereldburger die kennelijk overal aardde.

Heldendom was Bep vreemd. Hij had een goede inborst en bleef bescheiden. Ik zag hem vroeger regelmatig op zijn fiets; aan geld en roem had hij een broertje dood. Je kunt je afvragen of hij zelf wel een standbeeld wilde worden.

Maar goed, laat hem stilletjes staan in dat plantsoentje bij Crooswijk, met die vuisten zonder bokshandschoenen in de aanslag. Klaar om een tik uit te delen aan hen die het verdienen.

De bronzen glans is inmiddels geoxideerd door regenbuien en zonnestralen. Als Bep een bosje rozen voor zijn sokkel had zien liggen, was hij uit zijn standbeeld gestapt en had die bloemen een rotschop verkocht: „Kolére, ik heb nog niet eens een vaas.”

Wilfried de Jong is schrijver en programmamaker.