Embryo-onderzoek

Een alternatief voor het echte werk

Foto Naomi Moris

De ‘pinda’ hiernaast is een elektronenmicroscopische foto van een kunstembryo dat gemaakt is uit embryonale stamcellen. Deze week publiceerden onderzoekers van het Hubrecht Instituut en de University of Cambridge in Nature dit spectaculaire hoogstandje dat puur dient voor onderzoek. ‘Echte’ menselijke embryo’s mogen om ethische redenen niet zo ver worden opgekweekt in het laboratorium. Maar omdat dit kunstmatige embryo de invloed van de placenta mist (het ontstaat spontaan uit losse stamcellen nadat die met groeifactoren zijn bewerkt) vormen zich geen hersenen. Er kan in de praktijk dus nooit een kind uit groeien. De vraag is wel in hoeverre zo’n in het laboratorium opgekweekt klompje cellen echt vergelijkbaar is met een pril menselijk embryo. Immers, de eerste stadia van celdeling vanaf de bevruchte eicel worden hier overgeslagen. „Het is lastig om dat te valideren, want de menselijke embryo’s om ze mee te vergelijken hebben we niet”, zegt promovendus Susanne van den Brink van het Hubrecht Instituut die in Cambridge aan het onderzoek werkte. „Maar bij muizen bleken echte embryo’s en kunstembryo’s sterke overeenkomsten te hebben.”

Het menselijk kunstembryo groeit in drie dagen uit tot een stadium vergelijkbaar met een natuurlijk embryo van 18 tot 21 dagen oud. Het heeft al kop en staart, en de cellen vormen zogeheten kiembladen; het endoderm (waaruit het darmstelsel en de longen voortkomen), mesoderm (bloed, skelet en spieren) en ectoderm (zenuwcellen en huid). Dit model maakt nieuw onderzoek mogelijk naar de embryonale ontwikkeling van de mens, bijvoorbeeld om de oorzaak van geboorteafwijkingen te achterhalen.

„Het is realtief eenvoudig om grote aantallen van deze kunstembryo’s te maken”, vertelt Van den Brink. „Die zijn genetisch identiek en dat is heel handig want zo kun je er grootschalige proeven mee doen. Er is veel belangstelling voor; diverse onderzoeksgroepen in Nederland en in het buitenland doen er al experimenten mee.” Dat doet bijvoorbeeld ontwikkelingsbioloog Niels Geijsen van het LUMC in Leiden. „Een fantastische technologie” ,zegt hij, „Wij kweken de model-embryos ook en willen ze gaan gebruiken om een genetische ziekte te onderzoeken die we slecht begrijpen, FSHD. Bij deze aandoening raken met name het gezicht, de nek en schouders verlamd. het is een spierziekte die uniek is voor mensen, waarvan we vermoeden dat de vroege embryonale ontwikkeling een rol speelt.”