Recensie

Recensie Boeken

Hoe kom je een overheersende en geschifte moeder te boven?

Debuutroman In haar debuutroman Het verre veld (●●●●) schrijft de Indiase Madhuri Vijay over de dertigjarige Shalini, die de dood van haar overheersende en tamelijk geschifte moeder te boven moet zien te komen. Goede bedoelingen, schrijft Vijay, zijn eigenlijk de opmaat naar de hel.

Toen de Indiase schrijver Madhuri Vijay hoorde dat haar de roman Het verre veld ook in haar geboorteland gepubliceerd zou worden, was ze verbaasd. Haar debuut speelt zich namelijk grotendeels af in Kashmir, het gebied waarover India en Pakistan al sinds 1947 conflicten en oorlogen hebben. Een gebied ook waar elk kritisch geluid wordt gesmoord, en waar veiligheidsmaatregelen voor de grotendeels islamitische bevolking als bezetting aanvoelen.

Vijay is niet het type auteur dat Indiase beleidsmakers stroop om de mond smeert of de bijzonderheden van het gebied wil vastleggen in exotische sprookjes of magisch-realistische verhalen, zoals wel vaker gebeurt wanneer het om Kashmir gaat. Integendeel: Vijay zet de Indiase politie en militairen ontluisterend neer in een mengeling van machtswellust, angst en domheid. Het is alsof ze de stem wil zijn voor bewoners die de mond wordt gesnoerd, terwijl tegelijkertijd haar roman gaat over onoverbrugbare verschillen, en problemen die je veroorzaakt wanneer je je mengt in een cultuur die niet de jouwe is.

Het verre veld is, anders dan misschien lijkt, niet louter een boek met een ondubbelzinnige boodschap. Vijay weet je, na een moeizaam begin, 480 bladzijden lang vast te houden in haar verhaal over de dertigjarige Shalini die de dood van haar overheersende en tamelijk geschifte moeder te boven moet zien te komen. Haar moeder wist niet goed waar ze geluk moest zoeken. Als well-to-do vrouw in Bangalore verveelt ze zich, slaapt ze constant en als ze wakker is, is een van haar grootste geneugten het beledigen van haar omgeving. Je sociale leven gaat er niet op vooruit als je begripvol knikt wanneer de buurvrouw klaagt over haar vijfjarige zoontje, om daarna te zeggen: ‘Een vreselijk kind zo te horen. Zal ik zijn strot voor u doorsnijden om ervan af te zijn?’

De enige momenten dat de moeder wel geluk kan vinden is wanneer Bashir Ahmed, de stoffenverkoper uit Kashmir, langskomt om verhalen te vertellen. Naar hem gaat Shalini na de dood van haar moeder op zoek. Eenmaal in Kashmir aangekomen is het even wennen voor het rijke meisje, maar ze doet haar best. Aanvankelijk logeert ze bij een stel dat hun zoon kwijt is. Hij is meegenomen door Indiase soldaten en niemand weet waar hij sindsdien is. Shalini gaat zich inzetten voor de ‘dwaze moeders’ van Kashmir die op zoek zijn naar hun zonen.

Wanneer meer duidelijk wordt over het verblijf van Bashir Ahmed vertrekt ze naar het bergdorp dat uit enkele huizen zonder elektriciteit bestaat. Het cliché van de hartelijke dorpsbewoners, die ondanks hun armoede graag de melk van hun koe met je delen, ligt op de loer. Vijay slaagt er echter in om daaraan te ontkomen. Daarvoor hebben het wantrouwen naar, de angst voor en het spel van de militanten en militairen te zeer de overhand. Vijay leert er een koe te melken, in ruil daarvoor geeft ze wat Engelse lesjes aan dorpskinderen.

Lees ook: ‘Zullen we ophouden met zogenaamde subtiele kunst?’

In een kitscherige roman had dit hele verhaal kunnen uitlopen op een lesje over de schoonheid van nederigheid of de nobele bergbewoner die getreiterd wordt door de politici. Het verre veld speelt met dat gegeven, om vervolgens het hele idee onderuit te halen. Deze roman gaat over het misplaatste idee dat wie goede bedoelingen heeft ook goed doet en dat je ondanks je superioriteitsgevoel moet accepteren dat je in sommige werelden niet thuishoort.

„Om Kashmir te begrijpen, heb je fictie nodig”, zei de Indiase schrijver Arundhati Roy in 2017 in NRC. Van haar was toen net de roman Het ministerie van Opperst Geluk verschenen waarin de kwestie Kashmir uitgebreid aan bod kwam. Ze vond dat je als Indiaas auteur de taak had om „ook te schrijven over je eigen rol, je eigen recente geschiedenis in plaats van een roman te maken over kolonialisme of imperialisme”. Vijay plaatst zich met haar debuut in die lijn. Niet alleen omdat ze uitgebreid de situatie van Kashmir schetst, terwijl dat bepaald geen populair onderwerp is bij Indiase schrijvers, maar juist ook omdat ze inderdaad ingaat op de rol van de Indiase burger, die vanuit Bangalore kan opmerken: ‘We hebben jullie werkgelegenheid, wegen, elektriciteit en ziekenhuizen gegeven. Ons belastinggeld heeft duizenden Kashmiri-kinderen onderwijs verschaft. Dus het lijkt me niet te veel gevraagd om daar een beetje erkentelijkheid voor terug te verwachten, in plaats van dat die lui van jullie daar gebouwen opblazen, leuzen schreeuwen voor Pakistan.’ Hoe die erkentelijkheid eruitziet, wordt door de goede bedoelingen van Shalina aan het slot van de roman pijnlijk duidelijk.