Analyse

Piet Hein en Basil Fawlty zijn nu ook uit de gratie

Symbolen De beeldenstorm heeft Nederland bereikt. Net als eerder in de VS worden nu ook hier symbolen die in verband worden gebracht met racisme en slavernij beklad.

Antiracistische leuzen op een kade in Rotterdam-Delfshaven, bij een replica van het 17de-eeuwse zeilschip De Halve Maen.
Antiracistische leuzen op een kade in Rotterdam-Delfshaven, bij een replica van het 17de-eeuwse zeilschip De Halve Maen. Foto Pieter Stam / ANP

Een beeld zegt meer dan duizend woorden. Massaal werden ze in Amerika deze week beklad of van hun sokkel getrokken: Zuidelijke leiders uit de Burgeroorlog en zelfs Columbus, de ‘ontdekker’ van Amerika die ook ‘genocide bracht’ en symbool werd van ‘witte overheersing’.

De beeldenstorm heeft ook Nederland bereikt. Op het standbeeld van Piet Hein in Delfshaven verschenen ’s nachts de woorden ‘killer’ en ‘dief’. De groep die de spuitbus hanteerde, Helden van nooit, wil zo „voortborduren op de internationale Black Lives Matter-beweging” en noemt de man die in 1628 de Zilvervloot veroverde een ‘rovende moordenaar’ en zijn standbeeld een ‘schaamteloos vertoon van koloniale nostalgie’.

De beeldenstorm, die opstak na de verwurging van George Floyd door een agent in Minneapolis, is – daar en hier – in de eerste plaats een eruptie van vernedering en pijn van mensen die zich ook nu nog als tweederangs behandeld voelen. De kinderen van zwarte slaven, nog steeds miskend door de erfgenamen van hun witte meesters. En die zo niet verder willen. Niet omdat het niet kan, maar omdat je, wat je ook doet, niet voor vol wordt aangezien.

Het zijn de ‘twee werelden’ die maar niet willen verdwijnen waarover Charles Q. Brown sprak, de oud-F-16-vlieger en generaal die deze week als eerste Afro-Amerikaan chef-staf van de luchtmacht werd. „Ik denk eraan dat ik hetzelfde uniform droeg met dezelfde insignes als mijn mede-piloten en dat iemand mij vroeg: ben je wel een piloot?”

In een niet mis te verstaan terzijde aan de Amerikaanse opperbevelhebber zei Brown te hopen dat hij „in deze moeilijke tijden de wijsheid [had] om leiding te geven”. Zelf wist hij carrière te maken in het systeem zonder ooit zijn afkomst te vergeten. Anderen, die geen meritocratie maar alleen doodlopende wegen tegenkomen, proberen nu symbolen van datzelfde systeem kapot te maken. Misschien lukt het Generatie Z om het debat open te breken.

Lees ook: Tv-beeldenstorm: wat volgt na Gone with the Wind en Fawlty Towers?

In Piet Hein hebben de Nederlandse actievoerders wel een ‘intrigerend’ doelwit gekozen, vindt Michiel van Groesen, hoogleraar zeegeschiedenis in Leiden. Want de Zilvervloot hielp wel de verovering van Brazilië te financieren, „maar je kunt hem niet rechtstreeks met slavernij in verband brengen”. In de tijd dat Hein in dienst van de West-Indische Compagnie oorlog voerde met Spanje, van 1624 tot 1629, „was nog helemaal geen sprake van Nederlandse slavernij”. En moet Willem van Oranje, die ook een officiële oorlog voerde, er nu ook als ‘killer’ aan geloven?

Het standbeeld van Piet Hein in Rotterdam-Delfshaven wordt schoongemaakt nadat het was beklad en besmeurd. Pieter Stam de Jonge/ANP

Goede werken

Bij de Britten beleefde Edward Colston, die in Bristol goede werken deed met zijn in de slavenhandel verdiende geld, een ‘Saddam Hussein-moment’. Naar de maatstaven van zijn tijd was Colston ‘een modelburger’, schreef Robert Shrimsley in de Financial Times. „Dat is het probleem met standbeelden: ze zijn gemaakt voor de eeuwigheid, maar reputaties zijn aan herwaardering onderhevig.”

Een icoon hoeft niet eens van brons te zijn. Nadat HBO de Oscarwinnende klassieker Gone with the Wind (1939) schrapte omdat de verbeelding van de slavernij verkeerd was, ‘toen en nu nog steeds’, haalde de BBC de bekendste aflevering van Fawlty Towers (The Germans) offline. De sitcom rond het uit politiek incorrecte vooroordelen opgetrokken personage van John Cleese zou „raciale aantijgingen” bevatten. Nogal wiedes, aldus een woedende Cleese over de ‘stupide’ beslissing – „We maakten fossiele denkbeelden belachelijk.” En in Nederland gaan stemmen op om het Jiskefet-type Oboema, de door Michiel Romeyn gespeelde ‘witte neger’, in de ban te doen.

Lage Landen

Van beelden omvertrekken is in de Lage Landen de nieuwigheid wel een beetje af sinds 1566. Aan ‘de’ Beeldenstorm danken we de sobere binnenkant van onze voormalige katholieke kerken. Dat was een aanslag op de religieuze symbolen van tijdgenoten. De bekladders van Piet Hein en – eerder in Hoorn – Jan Pieterszoon Coen, stichter van Batavia, gebruiken de geschiedenis om nu een politiek punt te maken: het foute witte systeem van toen bestaat nog steeds, op zijn minst in witte hoofden.

Maar voor welke geschiedenis staat dat handjevol militairen, avonturiers en koloniale bestuurders? Piet Heins standbeeld is onthuld in 1870, dat van Coen uit 1894. In die late negentiende eeuw, waarin Nederland internationaal niet veel meer voorstelde, probeerde men het nationale zelfbeeld op te poetsen. Colston kreeg in 1894 zijn beeld, bijna twee eeuwen na zijn dood, waarmee de victorianen hun eigen vermeende deugdzaamheid projecteerden op deze ‘zoon van hun stad’.

Zo riep de natiestaat van de negentiende eeuw de glorie van een gedroomde zeventiende te hulp. „Die beelden zeggen meer over ons calimerocomplex van de negentiende eeuw dan de vermeende misdaden van de zeventiende”, denkt Van Groesen. Maar ‘de geschiedenis beter uitleggen’, is geen oplossing voor de boosheid van nu.

Hoe verder als de stoom is afgeblazen? Wat als er genoeg beelden met een verantwoorde bijsluiter naar het museumdepot zijn gerold? Mag je nog een historische roman schrijven – of lezen – met de slavernij als decor? Maar zelfs als we op dat hellende vlak, zeg, straatnamen gesteriliseerd hebben door ze op zijn Amerikaans te nummeren, is dat geen alternatief voor een echte aanpak van ongelijke behandeling op valse gronden.

White man’s burden, Rudyard Kiplings koloniale schuldgevoel, is een slechte raadgever. Onder de kop I did not kill George Floyd keerde de Britse libertair Brendan O’Neill zich deze week fel tegen wat hij het ‘witte woke fatalisme’ noemde: de zelfbenoemde correctors van ‘wit privilege’ die zich vastdraaien in historisch schuldgevoel. Terugkijken helpt niet, schrijft hij, het heeft niets concreets te bieden aan „zwarte of witte mensen die vechten voor een betere toekomst”.