Keer op keer keerde de Zwarte Dood terug in Amsterdam

Epidemieën Amsterdam is wel wat gewend, de afgelopen eeuwen heeft het al heel wat epidemieën zien komen en gaan. Tot ver in de 19de eeuw waren continu oplaaiende infectieziekten de belangrijkste doodsoorzaak. Maar ook daarna is de stad regelmatig opgeschrikt.

Een Damtafereel van het welvarende 17de-eeuwse Amsterdam. Maar op verschillende plekken verwijst het schilderij naar de pest, zoals de man geheel rechts met witte stok, die door anderen wordt gemeden.
Een Damtafereel van het welvarende 17de-eeuwse Amsterdam. Maar op verschillende plekken verwijst het schilderij naar de pest, zoals de man geheel rechts met witte stok, die door anderen wordt gemeden. Johannes Lingelbach, Dam met het stadhuis in aanbouw, 1656, Amsterdam Museum (foto Stadsarchief Amsterdam).

Op 11 november 1629 om acht uur ’s ochtends verscheen notaris Laurens Lamberti op de binnenplaats van een logement aan de Zeedijk. Daar maakte hij het testament op van zeeman Vrerick Nonneszoon, die leed aan de ‘gave Godts’, de pest. Vrerick was met bed en al voor het kelderraam geplaatst, zodat de notaris op veilige afstand buiten kon blijven: social distancing, 400 jaar geleden.

De pest was in Amsterdam geen onbekende. Men wist dat de ziekte zich gemakkelijk verspreidde, vaak met fatale afloop. Tegelijkertijd was het maar een van de vele ongemakken die het ongewisse aardse leven voor de mens in petto had. 1629 was geen pestjaar. Misschien had de zieke zeeman de infectie meegenomen van zijn laatste reis, want handelsnetwerken waren vanouds de routes waarlangs de pest zich verspreidde. Leven met epidemieën begon in Amsterdam al in de middeleeuwen, toen de pest als de Zwarte Dood door Europa waarde.

De pestbacterie is in de 14de eeuw meegekomen met handelskaravanen uit Centraal-Azië, en liftte daarna mee met de handelsstromen over de Middellandse Zee. Schepen vol besmette zeelieden brachten de pest in 1347 naar Italiaanse havens. In 1349 bereikte de Zwarte Dood Amsterdam. Verspreiding vond plaats door rattenvlooien, maar ook van mens op mens. Het lymfesysteem werd door de pestbacil aangetast. Dat veroorzaakte ontstoken bulten zo groot als eieren, hoge koorts en andere ziekteverschijnselen. Na enkele dagen volgde meestal de dood.

Aantallen slachtoffers kennen we niet, maar tijdens de eerste epidemieën overleed naar schatting zo’n 30 procent van de inwoners. Dat moet een enorme schok geweest zijn in het nog kleine Amsterdam. Maar net zoals de stad na de verwoestende middeleeuwse stadsbranden huis na huis opnieuw werd opgebouwd, zo veerde ook de stadsbevolking na een epidemie weer op. En het stadsbestuur vaardigde bepalingen uit om nieuwe golven in te dammen.

Met witte stok over straat

De oudste overgeleverde verordeningen dateren uit 1469 en 1471. Was iemand overleden aan de pest, dan diende er uit het huis zes weken lang een grote bos stro uitgehangen te worden. Luchten van beddengoed of kleren was verboden. Andere bewoners waren, net als herstelde zieken, verplicht om buitenshuis zes weken lang een witte stok van 80 cm lang te dragen, zodat ze voor iedereen duidelijk herkenbaar waren. Op overtreding stond een boete en bij herhaling volgde verbanning. Deze maatregelen werden regelmatig afgekondigd en aangevuld. Zo mochten in 1655 bij begrafenissen geen belangstellenden aanwezig zijn. Toch kon niet worden voorkomen dat de pest regelmatig weer de kop opstak. In de 16de eeuw waren er zo’n zes epidemieën en in de 17de eeuw nog eens zes.

Theodoor van der Schuer: Pestlijders in een gasthuis, 1682, Museum De Lakenhal, Leiden.

Foto Stadsarchief Amsterdam

Toen Johannes Lingelbach in 1656 een schilderij maakte van de Dam (zie boven), het drukke middelpunt van de stad, verwerkte hij daarin subtiele verwijzingen naar de epidemie van 1655-1656. Het plein wordt bevolkt door een druk krioelende mensenmassa met handelaren uit verre windstreken, met het grote nieuwe stadhuis, het ‘Achtste Wereldwonder’, nog in aanbouw (al was de begane grond al in gebruik). Op de deurpost van het eenvoudige houten aanbouwtje, waarvan de functie onbekend is (het andere huisje is vermoedelijk het kantoortje van de Wisselbank) schilderde Lingelbach ‘896 dooden’. Geheel rechts plaatste hij een man in lichte kleding die opzichtig een witte stok voor zich uithoudt, en die door de omstanders zorgvuldig wordt gemeden. Tussen de zomers van 1655 en 1656 overleden er 16.727 personen in de stad. Misschien was 896 het hoogste aantal doden op een dag? Daarmee herinnert Lingelbach de kijker nog altijd aan de tijdelijkheid en de kwetsbaarheid van het leven, ook in het welvarende Amsterdam.

Een epidemie stelde de stad voor praktische problemen. In augustus 1655 was het kerkhof bij de Westerkerk zo propvol geraakt dat nieuwe grafkuilen recente begravingen verstoorden. De ‘vilainen stanck, die zich, door ’t beroeren ende ontblooten der versch begravene Lijcken’ in de omliggende huizen verspreidde, werd beschouwd als infectiebron – van de werkelijke ziekte-oorzaak had men geen idee. Ingrijpen was gewenst en het stadsbestuur besloot het kerkhof te sluiten en een nieuwe begraafplaats te openen op bolwerk Rijkeroort van de stadswal. Eerder dat jaar was al een nieuwe begraafplaats aangelegd op bolwerk Haarlem. De graven zijn er nu geruimd, maar de locaties zijn nog steeds herkenbaar in de stad als het Eerste en Tweede Marnixplantsoen.

Pestlijders op matten op de vloer

Ook de medische voorzieningen werden zwaar op de proef gesteld. Toen tijdens de epidemie van 1557-1558 het Pesthuis in de Nes vol was, werd stukje bij beetje het Sint Pietersgasthuis (op het huidige Binnengasthuisterrein) voor pestlijders ingeruimd, tot matten op de vloer aan toe. Ten slotte werd het Bushuis tijdelijk voor verpleging in gebruik genomen ‘omme den scamelen [arme] menschen te logeren, die anders gescapen zullen zijn op der straten te sterfven’, zoals de burgemeester het besluit motiveerde. Pas in 1630-1635 verrees een eind buiten de stad een nieuw Pesthuis (waar nu de Tweede Helmersstraat loopt). Het forse gebouw oogde als een gevangenis en werd door een gracht en een omringende boompartij – schaamgroen – van de omgeving afgezonderd. Er was plaats voor 340 patiënten, ook met andere besmettelijke ziekten en psychiatrische aandoeningen. Zij werden de hoofdbewoners toen de pest na 1665 niet meer voorkwam. Het gebouw werd gesloopt in de jaren 1930. De pest was een echo uit het verleden geworden en stak – net als tegenwoordig – alleen af de toe de kop op in andere delen van de wereld.

Lees ook: Hoe Amsterdam naar nul hiv-infecties wil in het jaar 2026

Het verdwijnen van de pest was het resultaat van ingrijpen door de landelijke overheid. Schepen uit pestgebieden werden vanaf 1679 in quarantaine gehouden en de lading mocht dan niet worden gelost. Een pest-verdacht schip op weg naar Amsterdam moest bij het eiland Urk voor anker gaan. Aanvankelijk hadden de steden – beducht voor hun handelsbelangen – zich hiertegen verzet en was er nog sprake van vrijwillige reisadviezen. Zo verzocht het stadsbestuur in 1655 namens de stad Frankfurt de besmette Amsterdammers om niet de najaarsmarkt in die stad te bezoeken. In hetzelfde jaar liet het stadsbestuur weten dat reizen naar Danzig onverstandig was, omdat Amsterdammers er niet toegelaten zouden worden.

Hoe liep het eigenlijk af met de zieke zeeman uit 1629? Hij lijkt de pest overleefd te hebben, want zijn naam komt in de Amsterdamse begraafregisters niet voor. En de social distancing had ook voor de notaris gewerkt, want hij overleed pas jaren later, in augustus 1655 – tijdens een nieuwe pestepidemie.

Lepra

Lazarusklepper, waarmee lepralijders klapperend hun komst aangaven Foto Stadsarchief Amsterdam

Dankzij zijn klepper hoorde je de lepralijder al van verre aankomen. Je kon je dan snel uit de voeten maken. Lepra, een besmettelijke bacteriële infectieziekte, kwam in Amsterdam vooral voor in de 14de eeuw, en verdween pas drie eeuwen later uit de stad. De zieke kreeg vlekken en verkleuringen op zijn huid, knobbels, zwellingen. Zenuwuiteinden werden aangetast, met soms blindheid en verlamming tot gevolg. Toch was lepra zelden dodelijk en genezing was mogelijk. Lang niet iedereen vertoonde ziekteverschijnselen. De angst voor besmetting was desondanks groot, behalve bidden was er geen remedie tegen. De ‘onreine’ leproos moest zich maar afzonderen van gezonde mensen. Tegelijkertijd was het de christelijke plicht om voor de lepralijders te zorgen. Amsterdam gaf ze het recht op een ‘vuylbrief’ waarmee ze mochten bedelen, en ze konden verzorging krijgen in het leprozenhuis, veilig buiten de stadspoorten gelegen. In de 14de eeuw was dat het Sint-Jorishof aan de Kalverstraat bij de Heiligeweg; later het Sint-Anthoniegasthuis, bij het tegenwoordige Waterlooplein. Die privileges maakte de ziekte gek genoeg ook aantrekkelijk: nep-leprozen kwamen regelmatig voor.

Pokken

Inenting tegen pokken Foto Nationaal Archief

Het was de meest gevreesde ziekte van de 18de eeuw. Wie besmet was, ontwikkelde puisten, maar ook aan ogen, gewrichten en organen bracht de ziekte schade aan. Onder kinderen, de grootste groep slachtoffers, was het de voornaamste doodsoorzaak – een op de tien overleed aan ‘de kinderziekte’ voor hun tiende jaar. Epidemieën braken regelmatig uit. In 1784 eiste de ziekte 3.000 doden in Amsterdam. De ziekte verspreidde zich via de luchtwegen en trof vooral de bewoners van de arme dicht op elkaar gepakte volksbuurten. Opvallend was dat wie ooit herstelde van de pokken, daarna immuun was. Variolatie, inenting van een gezond persoon met de pokken, zorgde helaas te vaak nog voor sterfte. In 1798 werd de koepokinenting of vaccinatie ontdekt. Die maakte immuun voor de menselijke variant. Er was veel scepsis over deze ‘onnatuurlijke’ methode, maar het geloof in de wetenschap kreeg de overhand. In 1803 werd het Amsterdamsch Genootschap ter Bevordering der Koepok-inenting voor Minvermogenden opgericht. Na zo’n 80.000 Amsterdammers te hebben ingeënt, kon het in 1956 worden opgeheven. De pokken zijn wereldwijd verdwenen, het zo gevreesde virus bestaat alleen nog in laboratoria.

Cholera

Advies Choleracommissie, 1866. Foto Stadsarchief Amsterdam

Hevig braken, diarree, spierkrampen, uitpuilende ogen en een vreemde blauwe huidskleur. De ‘blauwe dood’ kon binnen een paar uur na de eerste ziekteverschijnselen al fataal zijn. Meerdere epidemieën woedden in de 19de eeuw: : in 1832-1833, 1848-1849, 1853-1855 en 1866-1867. De tweede was het ergste. Toen vielen er landelijk 32.000 slachtoffers, de helft overleed. In Amsterdam werden weer de allerarmsten getroffen. De ‘hygiënisten’, een groep artsen, beseften dat er een verband was tussen ziektes en hygiënische omstandigheden. Zij dachten dat de oorzaak ‘miasma’ was, de giftige, stinkende dampen die ontstonden door vervuild grachtenwater, vieze grond en rottend afval. Toen de epidemie van 1866 naderde probeerde Amsterdam dan ook verwoed de stad schoon te krijgen. De troep in de grachten werd verwijderd, en met ijzervitriool, chloorkalk en verdund zoutzuur werden schepen en huizen ontsmet. Toen in 1883 bleek dat cholera werd veroorzaakt door een bacil (dat via uitwerpselen van zieken het drinkwater besmette) was de miasma-theorie niet meer houdbaar. Maar dankzij de hygiënisten en de aanleg van riolering, waterleidingen, de verbetering van woningen en vuilnisophaal, kregen cholera en andere infectieziektes in de stad steeds minder kans.

Tuberculose

Openluchtschool. Foto Stadsarchief Amsterdam

Volksvijand nummer één eind 19de eeuw was TBC, oftewel tuberculose. In Nederland overleden jaarlijks ruim 10.000 mensen aan de ziekte. TBC kwam al eeuwenlang voor, maar door de industrialisering piekte het aantal zieke Amsterdammers. Ook nu was de slechtgevoede en -behuisde onderklasse de pineut, vooral de arbeiders die in stoffige en benauwde omstandigheden moesten werken zoals diamantslijpers, steenhouwers en textielarbeiders. In 1882 werd ontdekt dat de tuberkelbacterie de grote boosdoener was. Vooral de uitgemergelde, bloed opgevende, hoestende en proestende lijders aan longtuberculose waren besmettelijk. Naast voorlichting over gezond en hygiënisch leven (‘Niet spuwen!’), werden rust en frisse lucht als de ideale remedie gezien. Er kwamen sanatoria, waar zieken soms jarenlang niets anders mochten doen dan op gezette tijden liggen, bewegen, eten en slapen. Consultatiebureaus begonnen zich met de verzorging van kinderen te bemoeien. Openluchtscholen en vakantiekolonies aan zee moesten de stadse bleekneusjes er weer bovenop helpen. TBC komt in Nederland inmiddels bijna niet meer voor, maar wereldwijd sterven er nog altijd dagelijks duizenden mensen aan.

Spaanse Griep

Spotprent Stadsarchief Amsterdam

De Eerste Wereldoorlog was Nederland bespaard gebleven, maar voedseltekorten teisterden het land en toen kwam daar in juli 1918 de Spaanse Griep – die overigens waarschijnlijk uit Amerika kwam – nog overheen. Amsterdammers werden massaal ziek. Eind augustus leek de epidemie sterk af te zwakken, maar in oktober laaide het weer, en heviger op. Opvallend was dat vooral jonge, gezonde mensen werden geraakt. De griep vertoonde eerst de gebruikelijke koorts, hoofd- en spierpijn en een zere keel. De meeste besmette mensen krabbelden vervolgens weer overeind, maar de grootste pechvogels ‘verdronken’ door bloed in de longen. „Als je die paarsblauwe lichaamsverkleuring zag, wist je dat de patiënt het niet ging halen”, aldus een gemeente-arts. De scholen bleven open, maar het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis ging na het overlijden van tien verpleegkundigen dicht. ‘Zit, indien mogelijk niet met grote gezelschappen bij elkaar’, was het advies van de Gezondheidsdienst. ‘Spuw niet en als ge met iemand spreekt, ga dan niet vlak bij zijn mond staan.’ Andere artsen propageerden het inspuiten van sublimaat, een giftige verbinding van chloor en kwik. In de periode 1918-1922 raakte 20 procent van de wereldbevolking besmet, in Nederland vielen volgens het CBS zo’n 40.000 doden. Uiteindelijk verdween de ziekte op net zo’n raadselachtige manier als dat ze opgekomen was.

AIDS

AIDS Memorial Quilt. Foto Stadsarchief Amsterdam

In het voorjaar van 1982 werd de 39-jarige Jan S. met aanhoudende diarree opgenomen in het Amsterdams Medisch Centrum (AMC). Vervolgens ontwikkelde hij ook nog een zeldzame vorm van huidkanker en overleed. Hij bleek patiënt zero van een nieuwe angstaanjagende besmettelijke ziekte die in de jaren vanuit de VS razendsnel om zich heen greep. Het ging om AIDS; acquired immune deficiency syndrome. De boosdoener was het hiv-virus, overdraagbaar via seksueel contact, via bloed en van moeder op kind. Niet iedere besmette persoon werd ziek, maar deze seropositieven konden het virus wel verder verspreiden. Hiv tastte het immuunsysteem aan, waardoor patiënten vatbaar werden voor infecties en allerlei ziektes. Meer dan 6.000 Nederlanders kregen aids, meer dan de helft stierf. Amsterdam telde de meeste gevallen, vooral onder mannelijke homoseksuelen, spuitende drugsgebruikers en hemofiliepatiënten. Een remedie bestond er jarenlang niet, gedragsverandering stond voorop: ‘Veilig vrijen’ en schone spuiten gebruiken was het devies. Buddy’s gingen zich om de zieken bekommeren. Midden jaren negentig kwam er eindelijk een medische doorbraak. Dankzij de combinatietherapie is de ziekte steeds beter onder controle te krijgen.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.