Reportage

‘Wat deze koe nu aan mij wil vragen is in feite: Wie ben jij?’

Koeientaal Ons huidige begrip van taal is te begrensd, vindt hoogleraar taalkunde Leonie Cornips. Op antropologische wijze doet zij daarom onderzoek naar taal bij koeien.

Leonie Cornips in de wei tussen de koeien van boer Jan Piet Scheringa in Middenbeemster.
Leonie Cornips in de wei tussen de koeien van boer Jan Piet Scheringa in Middenbeemster. Foto Merlijn Doomernik

Koe 2052 (beige-wit) en koe 2124 (bruin-wit) wandelen vanuit de stal naar de weide van boer Jan Piet Scheringa in Middenbeemster. Vlak voor het grasland blijven ze staan, heen en weer zwaaiend met hun koppen. „Kom, we doen even een paar passen achteruit”, zegt hoogleraar taalkunde Leonie Cornips. „Als we te dichtbij staan, durven ze er niet langs.” En inderdaad: zodra we naar achteren stappen, passeren de koeien.

„Doordat koeien hun ogen aan de zijkant hebben, kunnen ze 330 graden rondom kijken – alleen ter hoogte van hun staart hebben ze een blinde vlek”, vertelt Cornips. „Dus in principe was dat heen en weer zwaaien met de koppen niet nodig. Mogelijk waren ze afgeleid door mijn jas, die daar verderop aan een paaltje hangt. Of het was een teken om ons te laten weten: wij willen erlangs.”

Als onderzoeker taalvariatie bij het Meertens Instituut en bijzonder hoogleraar taalcultuur in Limburg bij de Universiteit Maastricht is Cornips vooral bezig met het bestuderen van mensentaal. Maar sinds een jaar komt ze ook eens in de zes weken hier, naar het weiland en de stal van Scheringa, om veldwerk te doen naar koeientaal.

„Taalkundigen gaan ervan uit dat taal een typisch menselijk verschijnsel is – iets wat ons onderscheidt van andere diersoorten”, zegt Cornips terwijl we tussen de koeien doorlopen. „De beroemde Amerikaanse taalkundige Noam Chomsky beschouwde halverwege de vorige eeuw taal als een biologisch systeem opgesloten in onze hoofden”, waarmee we zinnen maken, opgebouwd uit kleinere bouwstenen die in een bepaalde volgorde gezet worden.

Van recentere datum is het idee dat dat biologisch systeem beïnvloed wordt door processen buiten onze hoofden, zoals waarneming en cultuur. Bovendien zien taalkundigen taal als iets om ons te kunnen uiten naar anderen.” Natuurlijk, andere soorten communiceren óók, benadrukt ze. „Er wordt vanuit de biologie volop onderzoek gedaan naar klikgeluiden van dolfijnen, alarmroepen van vogels, noem maar op. Maar vrijwel altijd wordt er dan gesproken over ‘communicatie’ in plaats van taal. En naar mijn mening wordt het tijd dat we die tweedeling terzijde schuiven. Dat we inzien dat dieren hun eigen talen hebben, zelfs al is er geen sprake van een door ons te herkennen grammatica. Ons huidige begrip van taal is wellicht te begrensd.”

Ruiken als deel van de taal

Koe 2124 loopt op Cornips af en begint aan haar mouw te snuffelen. Een lik over haar broekspijp volgt. „Voor koeien is ruiken ook een belangrijk onderdeel van hun taal. Wat deze koe nu aan mij wil vragen is in feite: ‘Wie ben jij?’” Wat dat betreft vertoont Cornips’ zienswijze van taal parallellen met de sociolinguïstiek. „Vanuit die taalkundige stroming is dit onderzoek niet zo vreemd. Sociolinguïsten gaat ervan uit dat taal een gemeenschap creëert en vice versa. Dat kán met behulp van spraak, maar dat hoeft niet. Visuele talen hebben ook een eigen taalsysteem, zoals je ziet bij de Nederlandse Gebarentaal.”

Taalkundig veldwerk gaat anders in zijn werk dan biologisch veldwerk, benadrukt ze. „Ik ben nu in gesprek met een bioloog over mogelijke samenwerking. Hij werkt met ethogrammen, lijsten waarop hij kan turven hoe vaak bepaald gedrag voorkomt binnen een bepaalde tijd. Likken, kauwen, liggen, enzovoort. Heel kwantitatief. Mijn benadering is kwalitatief. Ik hanteer de antropologische methode: ik zie de koeien als een onbekende cultuur waarvan ik meer te weten wil komen.”

Bij die methode is het opbouwen van een vertrouwensband heel belangrijk, voegt ze toe. „Dus ga ik tijdens mijn bezoeken ook mee de stal in om ze te borstelen, bijvoorbeeld.” Volgens Cornips zouden biologen en taalwetenschappers vaker met elkaar kunnen samenwerken. „Zo zijn er biologen die zich afvragen waarom een kalf wel de loei van de moeder herkent en niet andersom, als de twee direct na de geboorte gescheiden worden. Voor een taalwetenschapper is het antwoord op zo’n vraag klip en klaar: het kalf heeft negen maanden in de buik van de moederkoe gezeten en heeft daar aan prenatale taalverwerving kunnen doen. Zo’n loei dringt echt wel door tot in de baarmoeder.”

Enthousiast besnuffelen

Jan Piet Scheringa komt in overall het weiland inlopen. Zijn koeien zijn van het ras Fleckvieh. „De koeien uit de Milka-reclame, maar dan niet paars”, zegt hij. Fleckvieh-koeien zijn dubbelkoeien – ze worden zowel voor de melk als voor het vlees gebruikt. „En voor de Beemster-kaas.”

Nu Scheringa in het weiland staat, is het gedrag van de koeien opeens omgeslagen. Reageerden ze eerst niet zichtbaar op onze aanwezigheid (met uitzondering van koe 2124), nu drommen ze met meer dan tien tegelijk om ons heen. Een koe besnuffelt Scheringa wel héél enthousiast in zijn nek. „Sodemieter op joh!” roept hij, en direct houdt ze op. Tegen ons: „Die is tochtig. Als boer leer je zulke koesignalen kennen.” Cornips, geïnteresseerd: „Doet ze dat dan alleen bij jou omdat je een man bent?” Scheringa schudt zijn hoofd. „Ze bespringen elkaar ook voortdurend. Het is hooguit dat ze met mij vertrouwder zijn dan met jullie.”

Als boer leer je zulke koesignalen kennen

Jan Piet Scheringa boer

Cornips bestudeert in Nijmegen ook nog Montbéliarde-koeien. Dat het om verschillende rassen gaat, is volgens Cornips geen belemmering voor het onderzoek. „Er zijn verschillen van stal tot stal, die bijvoorbeeld ook te maken hebben met de manier waarop de dieren als kalf gesocialiseerd zijn, maar er zitten ook universele aspecten aan de koeientaal.”

„Als wij hier een nieuwe koe krijgen, begrijpt die haar stalgenoten ook snel”, vult Scheringa aan. Hij liet eind april in zijn stal een YouTube-filmpje horen van een buitenlandse koe – „een ander ras” – die na de winter voor het eerst naar buiten mocht. „Onze koeien, die toen nog binnen stonden, reageerden duidelijk op dat geluid. Ze spitsten hun oren, werden onrustig. Na verloop van tijd hadden ze door dat er niets ging gebeuren. Toen ik dat filmpje later nog eens afspeelde, lieten ze geen boe of bah meer horen. Ze lieten zich niet tweemaal neppen.” Cornips vergelijkt ook verschillende soorten loeien. „Laatst was er een koe die loeide omdat zij hulp nodig had van de boer – steeds intenser en langer en hoger. Als een mens dat op steeds indringender toon om hulp roept: ‘Help! Hèèlp! HELLUP!”

Ze heeft een beursaanvraag lopen om camera’s en audioapparatuur in de stallen te kunnen ophangen. „Daar zullen de koeien ook mee interageren. Maar dat hoort bij de antropologische methode. Ze reageren ook op de boer – je kunt geen koeientaalonderzoek doen zonder de boer erin mee te nemen.”

De antropologische benadering houdt ook in dat Cornips niet met een vaste onderzoeksvraag werkt, vertelt ze. „Ik observeer de koeien met een open blik. Dat houdt in dat ik ook zonder onderzoeksvraag met mijn veldwerk ben begonnen. Voor de biologie is dat wellicht wezensvreemd, maar in de antropologie is dat juist gebruikelijk. En als mijn studenten straks met een bepaalde blik naar een dier gaan kijken – dat ze bijvoorbeeld denken: een schaap is dom – dan zullen ze ook eerder communicatie zien die de veronderstelde eigenschappen benadrukken.”

Een laag, bijna zoemend geluid

Dat ze zonder onderzoeksvraag begon, betekent niet dat ze geen vragen of theoretische concepten heeft, zegt Cornips. „Na verloop van tijd komt er vanzelf iets dat je aandacht trekt. Voor mij was dat een bezoek aan een koeienstal in Noorwegen, nog voor ik mijn vaste veldwerkboerderijen had. Daar maakten de koeien een laag, bijna zoemend geluid toen ik de stal binnenkwam. Als ik er een tijdje bleef, dan stopte het. Maar als ik naar buiten ging en weer binnen kwam, begonnen ze opnieuw. Volgens de Noorse boerin maakten de koeien zich op deze manier kenbaar aan een nieuwkomer. Een soort groet.”

Terug in Nederland begon Cornips erop te letten. „Wat opviel: koeien die in een gesloten stal stonden, dus echt binnen, vertoonden het gedrag wel. Koeien in een open stal onder een afdak niet – die vinden misschien niet dat je ‘hun’ ruimte binnenkomt. Ook koeien op een camping groetten niet. Ik vergelijk het met grote steden: als je gewend bent om veel andere mensen te zien, groet je minder.”

De koeien van Scheringa laten het lage gebrom wel horen. „En als ze na een dag in de wei de stal weer inkomen om zich te laten melken, zwaaien ze even met hun hoofd, alsof ze daarmee hun buurvrouw willen erkennen – ze weten altijd precies wat hun plek is in de stal. Dus dan zie je al die heen en weer zwaaiende hoofden, als een soort koeienwave.”

Kwestie van interpretatie

Natuurlijk, benadrukt Cornips, het blijft bij koeientaal een kwestie van interpretatie. „Je krijgt nooit een rechtstreekse weergave van wat er in ze omgaat. Maar aan de andere kant: dat heb je bij mensen die erg verschillen van de onderzoeker ook niet. Eind jaren negentig deed ik veel onderzoek onder jongeren, die praatten en gedragen zich vaak óók onbegrijpelijk voor mij. Ze legden me dan wel uit waar ze het over hadden, maar dat is natuurlijk toch minder direct.”

Daarom, benadrukt Cornips, is het belangrijk om met een open blik naar de koeientaal te kijken. „En tegelijkertijd moeten we het niet afdoen als oninteressant omdat wij de taal toevallig niet kunnen verstaan. Sommige wetenschappers zeggen: dieren doen niet aan taalverwerving want chimpansees kunnen geen mensentaal leren. Dat standpunt vind ik nogal superieur. Naar mijn weten heeft nog nooit een mens de taal van chimps geleerd – wij zijn dus net zo goed beperkt in ons taalbegrip.”

Dat onderscheid tussen mensen en dieren is een vorm van framing, zegt Cornips: het gebruiken van specifieke taal om een bepaalde stemming of zelfs wereldbeeld op te roepen. „Je creëert er afstand mee. Door dieren te ‘verdinglijken’ wordt het ook makkelijker om ze bijvoorbeeld op te eten. Om die reden vinden mensen het soms ook onprettig als je over een zwangere koe praat, bijvoorbeeld, want dan wordt de koe te menselijk. Maar je zou net zo goed over een vrouw kunnen zeggen: ze is drachtig.”