Foto Nick Browning

Interview

Renske Doorenspleet was een Apostelkind: ‘Ik was wij, en wij waren Hem’

Lunchinterview

Renske Doorenspleet (46) deed onderzoek naar het Apostolisch Genootschap, de gesloten geloofsgroep waarin ze opgroeide. „Het doel was controle te krijgen over ons gedrag, onze gevoelens en emoties.”

Het tumult begon al in december, en dat ging alleen nog maar over de achterflap van het boek Apostelkind van Renske Doorenspleet (46). Het is een boek over het Apostolisch Genootschap, een gesloten geloofsgemeenschap waar haar ouders en grootouders van beide kanten al bij hoorden en zij dus ook. Over wat het genootschap inhoudt, of waarin de ‘apostolischen’ nou precies geloven, is sinds 1863 niet of nauwelijks iets geschreven. Dus toen Renske Doorenspleet dat na drie jaar onderzoek wel deed, waren de ‘volgelingen’ niet blij met die openheid. „To put it mildly.”

Renske Doorenspleet is associate professor politicologie aan de Universiteit van Warwick in Engeland, ze woont daar sinds 2006 met man en kinderen. Inmiddels is het twee maanden na verschijning van haar boek, en ze is zo’n driehonderd brieven en 2.500 reacties op Facebook verder. De storm is iets gaan liggen, zegt ze, ze krijgt nu nog maar vijf berichten per dag. Van „een psychiater, een kapster, een rechter, een ceo van een bank, een bouwvakker”, voormalige Apostelkinderen die haar dankbaar zijn dat zij de „miljoenen puzzelstukjes” van hun gedeelde jeugd bij elkaar heeft gelegd. „Wat ze me schrijven is inwisselbaar. Dit boek is voor hen de bevestiging dat ze niet gek zijn. Dit is echt gebeurd.” De briefschrijvers zijn geboren tussen 1945 en 1985, toen de aanhang van het Apostolisch Genootschap in Nederland op een hoogtepunt was, met circa dertigduizend volgers.

Ze herkennen zich in de parallelle werelden die Renske Doorenspleet beschrijft. De ‘gewone’ wereld van school en thuis, en de ‘verborgen’ wereld van na school en het weekend waarin ze met alle oom en tantes (medegelovigen) in het Gebouw hun dierbare Leidsman, de Apostel bezongen. De toenmalige Apostel, Lambertus Slok uit Bussum, was de vleesgeworden, ‘eigentijdse’ Christus die Zijn Godsvolk aanspoorde het werk van Jezus op aarde voort te zetten. Toen hij in 1984 overleed, bleek – o wonder – zijn zoon Jan Slok de nieuwe Mond Gods. Alle kinderen geboren in apostolische gezinnen waren niet van hun ouders, maar Eigendom Gods en dus van hém. Apostelkinderen waren de vredebrengende zaadjes – sneeuwvlokken, rode bloedlichaampjes – waarop de wereld wachtte. Als ‘goddelijke hormonen’ moesten ze door de wereldlijke organen stromen om zo – dienstbaar en onzichtbaar – de wereld te redden.

Renske Doorenspleet zit op een kinderkrukje voor de camera van haar laptop en praat en praat. Ze is niet naïef, zegt ze. Ze had verwacht dat de nasleep van haar boek heftig zou worden. Natuurlijk noemen sommige volgelingen haar een nestbevuiler, een verrader en fantast. In het Reformatorisch Dagblad erkende de landelijke ‘Voorganger’ dat haar boek klopt, maar dat het niet zíjn waarheid is.

Zij verliet de groep op haar 24ste. „Het is een ongeschreven regel, als je erin zit én als je eruit stapt: je zwijgt.” Openbare bronnen over de beweging zijn er nauwelijks en wát er was aan liederen en teksten is na 2001 herschreven. „Het verleden wordt toegedekt. Het genootschap presenteert zichzelf nu als religieus-humanistische beweging.” Open, niet-dogmatisch, vriendelijk. „Hun marketingmachine is machtig.”

Binnen- en buitenwereld

Haar agitatie komt ook door iets anders. Net als vroeger lijkt ze klem te zitten tussen de binnenwereld – de ex-Apostolischen die zich volledig in haar boek herkennen – en de buitenwereld, de ‘buitenstaanders’ die haar niet begrijpen en die de geloofsgroep wegzetten als ‘sekte’ en haar als een ‘boos sektemeisje’ dat eruit is gestapt. Maar dat, zegt zij, is niet wat ze met haar boek voor ogen had. „Het gaat niet om mij, het gaat om de feiten.”

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik na één keer lezen ook niet doorhad wat ik nou eigenlijk las. Deels lees je haar persoonlijke herinneringen, flarden uit haar jeugd in Bussum met een vader, moeder en één zus. Geen ongelukkige jeugd, integendeel. Ze beschrijft toneelspelen waarin de Apostelkinderen eindeloos liedjes zongen over hoe graag ze hun Levensvriend dienden, en hoe zij zelf nukkig op het podium stond – wegens weinig acteertalent was ze altijd visje, hormoon, rood bloedlichaampje nummer tachtig – ter meerdere glorie van de zalm, het lichaam, het hart of welke metafoor voor de ‘Vleesgeworden Goedheid Gods’ dan ook.

Naast haar herinneringen citeert ze uit stapels weekbrieven die de Apostel naar volgelingen in het land stuurde, ze haalt fragmenten uit kerstspelen en declamaties, en ze geeft inzage in de richtlijnen die jeugdleiders kregen om de ‘zielsverzorging’ van de jeugd te waarborgen. Het was niet verboden om documenten of geschriften te bewaren, zegt ze, maar ook zeker niet de bedoeling. Zij had zes dozen materiaal op zolder staan, verzameld in de loop der jaren, en die is ze gaan bestuderen. Al die teksten samen vormen zó’n warrige leer, met zó veel uitroeptekens, hoofdletters en beeldspraak dat ik maar gauw even doorbladerde. Het gaat over vervulling van zielsverlangens, over de zuiverheid van een ‘uiterst begenadigd Volk’, en vooral heel veel over de ‘innig geliefde Levensvriend’ van wie zelfs het nummerbord van zijn auto (8017) door kinderen wordt bezongen. Hoeveel lariekoek kun je verdragen?

Maar wat ik me al bladerend niet realiseerde, is dat die ‘leer’ nooit eerder systematisch was opgeschreven. Haar reconstructie van wat de geloofsleer nou eigenlijk behelsde, is daarmee een belangrijk onderdeel van het boek. „Bij andere geloven heb je nog een Bijbel, Koran of Thora om op terug te vallen. Wij hadden de hersenspinsels van één man. Feiten telden niet, alleen gevoelens. Als je maar wel voelde wat Hij voelde.”

Wij hadden geen bijbel. Alleen de hersenspinsels van één man.

Ze ontdekte dat er vanaf haar geboortejaar (1973) een uitgestippeld beleid was om de jeugd op te laten groeien in de kraamkamer waarin een nieuwe Jezus Christus kon worden geboren. Jeugdverzorgers kregen gedetailleerde instructies om de kinderen onder te dompelen in het apostolisch gedachtengoed. „Het doel was controle te krijgen over ons gedrag, onze gevoelens en emoties.” Dat heet ook wel indoctrinatie.

Ze laat overtuigend zien dat het Apostolisch Genootschap de totalitaire trekjes heeft van een cult, of een ‘nieuwe religieuze beweging’ zoals het wetenschappelijk heet. Het wás een exclusieve groep met een autoritair en charismatisch leider die claimt God te zijn. Ze hádden een eigen jargon, de leer gíng boven het individu en de groep zonderde zich af. Maar zeg je cult, of sekte, dan denk je ‘gekkies’, je haalt je schouders op en gaat door. Terwijl zij zo graag wil weten hoe het kon dat een generatie kinderen vanaf hun geboorte wordt gevormd en gekneed en, ze laat een stilte vallen, aarzelt, en besluit het dan te zeggen zoals het is: „Het was emotioneel misbruik. Want dat is het, als je een kind niet zijn eigen gedachten en gevoelens laat hebben, maar volstopt met de jouwe.”

‘Vriendelijke fanatici’

Eén reden voor het gebrek aan belangstelling van de buitenwereld: er waren of zijn geen excessen. Althans, niet dat we weten. Geen verdenkingen van seksueel misbruik zoals bij Jehova’s getuigen of de Katholieke Kerk, geen misbruik van belastingwetten of beschuldigingen wegens kindermishandeling zoals bij de Noorse broeders. Renske Doorenspleet noemt de groepsleden „vriendelijke fanatici”, witte Nederlanders uit alle lagen van de samenleving die geen overlast veroorzaken of anderen lastig vallen met hun overtuigingen. „Wij hoorden ons werk onzichtbaar te doen. Het individu bestond niet. Ik was wij. En wij waren Hem.” Zij wil niet te veel oordelen, zegt ze, ze stelt alleen vragen. En een daarvan is: als er één moment was om wél nader onderzoek te doen naar het Apostolisch Genootschap, dan was dat in 2002, toen Volkert van der G. Pim Fortuyn vermoordde. Dat Van der G. van apostolische huize was, was wel bekend maar werd niet, of niet direct, in verband gebracht met de moord. Had dat gemoeten? Doorenspleet kaatst de vraag terug. „De Apostelkinderen werd dagelijks voorgehouden dat zij op aarde waren om de wereld gezond te houden. Was dat zijn motief? Is dat onderzocht? Ik oordeel niet, hè, ik vráág.”

Lees ook: De recensie in NRC over het boek Apostelkind

Zo komen we vanzelf op de onderwerpen waarop zij, vast niet toevallig, is gepromoveerd: vrijheid en democratie. Iemand aanspreken op zijn religie, dat dóé je niet, dat is te privé en een grondrecht bovendien. En hoe vraag je naar wat iemands geloof is, als je niet weet dát iemand ergens in gelooft? Apostolischen lopen niet te koop met hun overtuiging, ze doen hun goddelijk werk immers onzichtbaar. „Ik zat met een apostolische jongen in de klas, maar niemand die het wist.” Schaamte is ook een goede reden om te zwijgen. „Ik ken volwassen mannen met goede banen die neus aan neus met de Apostel op het podium solo moesten zingen dat ze zich aan hem overgaven. Hoe leg je zoiets uit aan anderen? Of aan jezelf?” Ze grijpt met twee handen in haar lang geworden haar – in Engeland zijn de kappers nog niet open. „Het was een collectieve psychose. Je voelt als kind dat er iets niet klopt, maar je kúnt niet anders dan meedoen.” Dat geldt voor ouders en grootouders, en ook voor de man met wie ze trouwde. Net als zij gehersenspoeld als kind.

Daags na ons Skypegesprek vraagt ze of we nog een keer kunnen afspreken. Ze wil iets laten zien dat vorige keer buiten beeld bleef. Zodra ze online komt, houdt ze een beschilderd schommelstoeltje omhoog, dan draait ze de camera zo dat ik een houten poppenhuis kan zien. Kerstcadeaus die alle kinderen van de Apostel kregen, handgemaakt door toegewijde volgelingen. Je ziet, zegt ze, dat ze niet „supergetraumatiseerd” is, zoals sommigen beweren. Anders had ze die spullen wel weggesmeten. „Jij denkt misschien: wat een mooie cadeaus en wat leuk dat die mensen daar zo hun best op deden. Dat is precies het beeld: wat een aardige mensen, wat een sympathieke levensovertuiging.” Maar kijk je beter, zegt zij, dan zie je dat er hidden in plain sight kinderen zijn gemanipuleerd. „Wat onzichtbaar was, heb ik zichtbaar willen maken.”