Hoofdbrekens bij het schedelmeten van planten

Wekelijks stuit Karel Knip in de alledaagse werkelijkheid op raadsels en onbegrijpelijke verschijnselen.

Deze week: planten determineren is vooral erg ingewikkeld en tijdrovend.

In de stad verzamelde planten. Sommige maken ook binnenshuis slaapbewegingen.
In de stad verzamelde planten. Sommige maken ook binnenshuis slaapbewegingen. Foto Karel Knip

Begin dit jaar verscheen de 24ste druk van Heukels’ Flora van Nederland, het determinatiewerk dat wetenschappers én liefhebbers helpen moet de Hollandse planten de juiste naam te geven. De nieuwe editie, nu verzorgd door Leni Duistermaat, is een herziening en uitbreiding van eerdere edities verzorgd door Ruud van der Meijden die op zijn beurt eerdere edities herzag, bewerkte, uitbreidde en inkortte. Deze traditie gaat terug tot 1900.

De ‘Heukels’ is nooit af. Planten verschijnen en verdwijnen, ze worden opnieuw ingedeeld en botanici vinden nieuwe criteria om ze van elkaar te onderscheiden. Duistermaat heeft het in een interview in deze krant uitgelegd. Van een recensie was het nog niet gekomen.

Hoe bevalt de nieuwe flora? Hij oogt wat minder voornaam dan vroeger. Het papier werd dikker en witter, de letters verloren hun schreef en er werden voor het eerst kleuren ingezet om het zoeken te vergemakkelijken. Niet altijd zijn die functioneel. Waarom de tekeningen opeens een grijze achtergrond hebben is niet duidelijk. Niet onbelangrijk is dat de flora 765 gram weegt, twee ons meer dan de laatste editie en weer evenveel als de allereerste van 1900.

Wereldvreemde plantentabellen

Hoe makkelijk brengt de amateur met de nieuwe flora een plant op naam? Dat is afgelopen week voor twaalf Amsterdamse planten nagegaan. Van de meeste was de naam al bekend maar ook met voorkennis kan het determinatiespel zuiver gespeeld worden. Reseda was uit het geheugen verdwenen en de steenkruidkers die langs de stoeprand stond was nieuw. Biggenkruid, duizendblad, smalle weegbree, herik, melkdistel, tuinwolfsmelk, ossentong, blaassilene, raket en echte kamille waren oude bekenden.

Ging het vlot? Nee, het determineren met die wereldvreemde plantentabellen vol bizarre criteria en verwarrende formuleringen is een ramp, zelfs als je de determinatie al gelijk bij de juiste familie kunt beginnen, wat de liefhebber na enige tijd meestal wel lukt. Moet je helemaal bij de ‘hoofdsleutel’ starten dan ben je wel een uurtje verder voor je het vloekend opgeeft. (Zijn de kroonblaadjes aan de voet vergroeid?) De beginneling die zijn tuinwolfsmelk de hoofdsleutel binnenvoert wacht daar een zware dobber.

Biggenkruid.
Foto Karel Knip
Onder meer herik, kamille, duizendblad en klaproos.
Foto Karel Knip
Steenkruidkers.
Foto Karel Knip

Alleen herik, smalle weegbree, blaassilene en de melkdistel (dat is: één van de drie) werden snel geïdentificeerd. De formele determinatie van de toch zo markante ossentong met zijn weergaloos diepblauwe bloempjes verzandde in het begrip ‘knikkende bloem’. De onmiskenbare raket bleef hangen op de ‘snavel’ van zijn vrucht. De steenkruidkers bleek bij nader inzien al volkomen uitgebloeid, de vruchtjes hadden op bloempjes geleken. De omvangrijke familie Asteraceae (de ‘composieten’ van vroeger, zoals het madeliefje, de paardenbloem en de distels) bederft de determinatielust doeltreffend met de begrippen pappus en stroschub. De pappus kennen we van het harige parapluutje waarmee de zaadjes van de paardenbloem zich op de wind laten wegdrijven, maar de pappus kan ook schubbig zijn of nog iets heel anders. Er is van alles aan de pappus te ontdekken als je een uitzonderlijk sterke loep hebt. Stroschubben blijken goed gecamoufleerde vliezige blaadjes die tussen de bloempjes van de composietenbloemen verstopt zitten. Het biggenkruid heeft stroschubben, maar het kostte een halve dag om ze te vinden. Veel van die composieten zijn zo klein dat je niet eens overweegt naar de stroschubben te gaan zoeken. Kamille, madeliefje, duizendblad? Forget it. Laat die schubben toch schieten, zou je de floramakers wel willen toe allitereren, maar de ‘strooschubben’ staan er al 120 jaar.

Het wezen van de plant

Waarmee hier tegelijk gezegd is dat de kritiek niet speciaal de flora van Duistermaat geldt, het is een schitterend en indrukwekkend standaardwerk, maar het principe van het determineren aan de hand van onmogelijke, vérgezochte criteria die helemaal niet het wezen van de plant aangeven. Drie of vijf ribbels op het nootje van de melkdistel? Het lijkt allemaal donders wetenschappelijk maar is in feite vooral erg ingewikkeld en tijdrovend. Voor plantherkenning ‘in het veld’ is zo’n flora onbruikbaar. Planten leer je kennen aan de hand van hun algemeen voorkomen, hun habitus, niet met een potje negentiende-eeuws schedelmeten. Denk niet dat biologiestudenten hun floristische kennis danken aan lange avonden puzzelen met loep en pincet. Wilde bertram, stinkende gouwe en bochtige smele werden hun gewoon door insiders aangewezen.

Er is niets op tegen om je plantenkennis op te doen aan de hand van een app of een werk als Elseviers nieuwe plantengids. Voor de finishing touch, de definitieve determinatie die ook voor de rechter stand houdt is er dan de Heukels. Daarna komt dan weer het feest van herkenning op internet.

De twaalf verzamelde planten van hierboven hebben een dag of vier in huis doorgebracht, eerst in het water, later langzaam indrogend op tafel. Opvallend hoe sommige ook binnenshuis slaapbewegingen maakten (biggenkruid en melkdistel) en andere niet, hoe sommige buiten het water razendsnel verlepten (zoals raket) en andere nauwelijks, hoe sommige zwaar door schimmels en insecten waren aangetast (zoals de melkdistel) en andere minder. Dit zijn zo van die eigenschappen die de flora’s meestal negeren. Na vier dagen hing in het AW-lab een ongekend zware, niet onprettige lucht. Hij kwam van de verlepte steenkruidkers en wordt door de Heukels koeltjes ‘onaangenaam’ genoemd. Dat is alles: geur is geen determinatiekenmerk. Smaak ook niet. Maar kauw eens op een struikje tuinwolfsmelk. Niet doorslikken.