Hoe een advocatenlobby in coronatijd de Kamer letterlijk de wet voorschreef

Deze week: ambtenaren die stiekem lobbyisten helpen, Kamerleden die laaiende mails sturen, en lobbyisten die eisen dat Kamerleden hun werk staken. Ofwel: het ongelofelijke verhaal van een advocatenlobby in coronatijd.

Het intrigerende aan een geslaagde lobby is: wie uitgekiend opereert kan Den Haag met enkele bewegingen naar zijn hand zetten.

En nu de heftigheid van de coronabestrijding even voorbij is, blijkt hoe welgestelde beroepsgroepen in deze crisis een alibi vonden om het landbestuur hun wensen op te dringen.

Op het eerste gezicht lijkt de aanleiding voor de lobby – nieuwe faillissementswetgeving – nogal zouteloos. Maar nu ik het lobbydossier heb gelezen en de meeste betrokkenen kon spreken, begrijp ik waarom de vonken eraf zijn gevlogen. Hoe groot de belangen waren. En waarom vooral advocatenkantoren er zo actief waren.

Het clichébeeld van Den Haag is dat politici er hun plannen voor het land uitventen. In dit dossier was de werkelijkheid nogal anders.

In dit dossier kwam het plan van vooraanstaande advocaten. Zij beschreven het in een conceptwet. Het ministerie nam hun ideeën over, waarna politici de wensen van de advocaten jarenlang volgzaam uitvoerden.

Pas met de finish in zicht, dit voorjaar, bemoeiden enkele Kamerleden zich ermee, en eisten veranderingen. De reactie van de betreffende advocaten was veelzeggend: ze waren er niet van gediend dat parlementariërs zich met hun wet bemoeiden. De omgekeerde wereld.

Toen kwam corona.

Ruud Hermans (1959) heeft een prachtige loopbaan achter de rug, en nu wil hij iets teruggeven. In De Groene, die als eerste over dit lobbydossier schreef, zei hij in april: „Er zijn drie fases in het leven: learn, earn, return.”

Vorig jaar begon hij als hoogleraar burgerlijk recht op de Radboud universiteit, daarvoor was hij decennia insolventiespecialist bij advocatenkantoor De Brauw. In die rol, vertelde hij me aan de telefoon, schreef hij in 2013 met een collega een wijziging van de Faillissementswet uit 1896.

De kern was dat het voor een bedrijf met een schuldenprobleem gemakkelijker wordt een faillissement te voorkomen. Moesten onder de oude wet alle schuldeisers met een regeling instemmen, onder de nieuwe kon dit al met een meerderheid van schuldeisers.

Het voordeel is dan dat minder bedrijven failliet gaan, en dus dat er minder waardevermindering en minder banenverlies optreedt. „Ik kreeg destijds uit het ministerie van Justitie te horen dat ze mijn ideeën goed vonden”, zei Hermans.

Het was de basis voor de zeven jaar lange voorbereiding van de Wet homologatie onderhands akkoord (WHOA), die begin dit jaar – corona was ver weg – als hamerstuk op de Kameragenda stond.

Toch sluimerde er kritiek. De Rotterdamse advocaat Robert van Moorsel (Van Herik & Verhulst) wees er al in 2017 en 2018 op dat banken door deze wet sterk bevoordeeld werden ten koste van kleinere bedrijven. In het FD beschreven UvA-medewerkers in januari vergelijkbare bezwaren. Bij ondernemingsvereniging ONL, vertelde medewerker Luc Rullens, zagen ze al jaren dat de overheid het grootbedrijf bevoordeelt. „Wij dachten: dit gaat ons niet wéér gebeuren.”

Zo kwam het dat een Kamerlid van de ChristenUnie, Stieneke van der Graaf, alsnog een debat over de wet afdwong.

En toen werd duidelijk hoe de verhoudingen echt lagen.

Drie Kamerleden gingen aan het werk met wijzigingsvoorstellen (amendementen) om de positie van kleinere bedrijven te versterken: Van der Graaf zelf, Henk Nijboer (PvdA) en Michiel van Nispen (SP).

Ze kregen, zoals dat gaat, technische assistentie van het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV). Maar nog voordat zij hun amendementen publiceerden, bleek het ministerie ze te hebben doorgespeeld aan de advocatenlobby.

„Ik heb excuses van de minister (Sander Dekker, red.) geëist en gekregen”, zei Nijboer. Maar ontluisterend bleef het. „Je wist in één klap: niet ambtenaren maar advocaten hebben op JenV de pen vast.”

Hier bleef het niet bij. Op dezelfde dag dat de amendementen medio maart werden gepubliceerd, de meeste met het oogmerk kleinere bedrijven beter te beschermen ten koste van banken, ontvingen de indieners mail van Ruud Hermans.

Gesteund door wetenschappers en advocaten van vooral grote kantoren adviseerde hij de Kamer nadrukkelijk „de amendementen in te trekken” en de wet als hamerstuk te aanvaarden. Hij vond het „niet het moment om in het (-) wetsvoorstel te morrelen”.

De zaak escaleerde. Stieneke van der Graaf vertelde dat ze die dag telefoon kreeg. „Een advocaat klaagde dat ik ‘ondemocratisch’ was! Ik wilde de wet als Kamerlid ‘verminken’!”

Nijboer mailde Hermans verontwaardigd terug: „Ik heb nog nooit een lobby meegemaakt die de Kamer adviseert zich te reduceren tot stempelmachine.” En de Rotterdamse advocaat Van Moorsel, die steun uitsprak aan de amendementen, moest „een woedende ex-collega” te woord staan.

Zelf schakelde Hermans intussen door naar corona: juist nu talloze bedrijven in problemen waren, was volgens hem het belang van de wet groter dan ooit. En zoals steeds in dit dossier, had hij het ministerie aan zijn kant: hoewel de Kamer destijds amper vergaderde, nam het kabinet de WHOA op in de lijst coronamaatregelen die met voorrang behandeling vereiste.

Zodoende debatteerde de Kamer eind mei alsnog over de wet. Opnieuw werden fracties „overspoeld” met pleidooien ten gunste van de advocatenlobby, zei Van der Graaf. „Hoogst ongebruikelijk allemaal.”

De Kamer nam de wet aan, maar stemde óók voor drie wijzigingsvoorstellen van Van der Graaf – zodat kleinere bedrijven onder meer recht krijgen op minimaal 20 procent van de boedel. Met andere aanpassingen leidde dit volgens Kamerleden en betrokkenen tot een forse versterking. „Het midden- en kleinbedrijf komt er nu veel beter uit”, zei Rullens van ONL.

Tegelijk was Hermans na afloop helemaal niet ontevreden. „Hier kan ik mee leven.”

Intussen was allang duidelijk dat het hier nooit primair om corona is gegaan. Toen JenV vorig jaar november nog verwachtte dat de wet als hamerstuk zou worden afgedaan, publiceerde Bloomberg al dat Nederland met hulp van de WHOA een nieuwe Europese hub voor bedrijfsreorganisaties dacht te worden.

„We groeien ten koste van het Verenigd Koninkrijk”, zei Ferdinand Hengst, een oud-collega van Hermans bij De Brauw, tegen het persbureau.

De Brauw zelf en talrijke andere Zuidas-kantoren (Stibbe, DLA Piper, Allen & Overy, etc.) publiceerden vergelijkbare verwachtingen, vaak gepaard met Engelstalige folders over de wet, alles om Amsterdam te positioneren als dé plek waar voor buitenlandse bedrijven soepele regels en dienstverleners voorhanden zijn om van hun schuldeisers af te komen.

Geen geringe ironie. Talrijke nationale politici constateerden de laatste maanden bezorgd dat de coronacrisis aantoont dat te veel ondernemingen een te klein eigen vermogen paren aan torenhoge schulden. Een beetje tegenwind en ze wankelen. Maar op hetzelfde moment verruimde de Tweede Kamer de mogelijkheid voor zulke bedrijven om deze structuurzwakte te continueren – en hun uit de hand gelopen schulden daarna met hulp van Nederlandse dienstverleners te saneren.

„We hadden ons beter kunnen afvragen”, zei de dissidente Rotterdamse advocaat Van Moorsel, „wat we er als land aan hébben dat we zoveel buitenlandse probleemgevallen naar binnen halen.”

Het onderstreepte eens te meer hoezeer de overheid in dit hele dossier aan de hand van de nogal onbescheiden advocatenlobby had gelopen – niettegenstaande het kranige verzet van CU, PvdA en SP.