Recensie

Recensie Boeken

Het versplinterde neoliberale individu

Sociologie Volgens socioloog Rudi Laermans is het individu in de neoliberale samenleving niet meer dan een bundel capaciteiten die geoptimaliseerd moeten worden. Daarom is manische depressiviteit de dominante emotie van dit tijdperk.

Een afbakening voor sociale distantie in coronatijd in Colombia.
Een afbakening voor sociale distantie in coronatijd in Colombia. Foto REUTERS/Luisa Gonzalez

Dat we geacht worden ons in pandemische tijden op anderhalve meter afstand van elkaar te begeven, maakt van iedereen een op zichzelf staand individu, maar wel een individu dat altijd al als onderdeel van een biologisch collectief, een bevolking, gezien wordt. De filosoof Michel Foucault wees al op de vormen van ‘biopolitiek’, van macht over het leven als deel van een bevolking, die zich historisch gezien mede via quarantaines en hygiënebeleid ontwikkelden. In Ik, Wij, Zij. Sociologische wegwijzers voor onze tijd geeft de Leuvense socioloog Rudi Laermans in een samenhangende reeks essays een belangwekkende analyse van de hedendaagse biopolitieke conditie (pre-corona gediagnosticeerd), de rol van het individu daarin, en de mogelijke politieke gevolgen ervan.

Laermans is geen doorsnee socioloog. Hij heeft, in tegenstelling tot veel doorsnee sociologen, niet het idee dat een statistisch significant verband tussen enkele op meningen van mensen gebaseerde variabelen ons iets wezenlijks nieuws leert over de samenleving. Hij doet eerder aan maatschappijdiagnostiek, een genre in de sociologie dat tegenwoordig minder populair maar meer nuttig is, omdat het een maatschappij kan helpen bij een noodzakelijke kritische zelfbevraging.

Lees ook: Ook het gepensioneerde midden is klaar met het kapitalisme

Een complexe maatschappij, stelt Laermans met de Duitse systeemtheoreticus Niklas Luhmann, is uiteengevallen in verschillende deelsystemen die elk hun eigen manieren hebben om de wereld te bezien. In de economie spelen betalingen een doorslaggevende rol; in de wetenschap de waarheid; en in de kunst de schoonheid of de conceptuele vernieuwing. Een samenleving die op deze manier complex is, mist een Archimedisch punt van waaruit de samenleving als geheel transparant wordt voor zichzelf. Populistische politiek doet alsof niettemin helder is wie het echte volk is dat de basis vormt voor de politieke gemeenschap, maar populisten, stelt Laermans, maken de fout dat ze doen alsof datgene wat de democratie ter rechtvaardiging aanvoert – de wil van het volk – ook werkelijk aanwezig kan zijn in de democratie. Ook de politiek moet het doen met de paradox van een volk dat nooit anders zichtbaar wordt dan in de representatie ervan in de politiek of in de massamedia. Dat is meteen een reden waarom politiek en massamedia tegenwoordig innig verweven zijn, wat dan weer kansen biedt aan populistische politici, aldus Laermans, omdat massamedia goed gedijen bij ophef, conflict en boude uitspraken.

Manische depressiviteit

Laermans begint zijn boek met de bekende sociologische individualiseringstheorieën, waarin duidelijk wordt dat de moderne mens zowel een nutscalculerend individu is, als een in morele en gevoelsmatige zin op zichzelf teruggeworpen wezen. Tegelijkertijd is die individualiteit een sociale verplichting. Dat verplichtend karakter van de individualiteit wordt sterker wanneer vormen van neoliberaal bestuur opkomen. Het neoliberale ‘in-dividu’ (letterlijk ‘ondeelbaar’) wordt een ‘dividu’: een bundel capaciteiten die geoptimaliseerd moeten worden. Werklozen moeten daarom ‘geactiveerd’ worden, en het is ieders ‘eigen verantwoordelijkheid’ om het maximale te halen uit ‘me incorporated’.

Lees ook: Met drugs en muziek ontsnappen aan het neoliberalisme

Mensen gaan zich identificeren met zulke ondernemende concepties van het zelf, maar ervaren daarbij tegelijk dat ze permanent tekortschieten. Dat maakt van manische depressiviteit de vigerende gevoelsstructuur van het neoliberalisme, aldus Laermans. Enerzijds de hectiek van de flexwerkende netwerker; anderzijds de permanente teleurstelling dat dit een conditie is waaraan geen einde komt, omdat het maximeren van het eigen ondernemende potentieel per definitie nooit af is. Met bijzondere affiniteit voor de rol van het neoliberale zelf in de kunstwereld licht hij toe: ‘Neem bijvoorbeeld de bevriende kunstenaar met wie je na een voorstelling een ontspannen gesprek voert. Opeens verontschuldigt hij zich, om vervolgens toe te stappen op een theaterprogrammator en een plat verkooppraatje te beginnen over een nieuw project.’ Zulke permanente ambivalentie in het neoliberale zelf, zegt Laermans, komt voort uit een ‘vicieuze cirkel van zelfrealisatie en zelfexploitatie’.

Het neoliberale zelf markeert bovendien de transformatie van biopolitiek in psychopolitiek, omdat in hedendaags kapitalisme de creatieve, communicatieve vermogens centraal staan in de meerwaardecreatie. Maar tegelijk wordt de constante opvoering van het lichaam vereist, middels de netwerkborrel, de projectpresentatie of de esthetische dienstarbeid in de horeca.

Corbyns Labour

In de centraliteit van de communicatieve vermogens van mensen vindt Laermans niettemin een hoopgevend perspectief. In het Italiaans autonoom marxisme dat in de jaren zeventig van de vorige eeuw opkwam, staat het gemeenschappelijke centraal dat voorafgaat aan maar ook hernieuwd vorm krijgt in de kapitalistische exploitatie. Tegenwoordig maakt het kapitalisme de gemeenschappelijkheid van het communicatieve en het creatieve mogelijk, bijvoorbeeld via private communicatietechnologieën. Dat is voor niet-kapitalistische doeleinden te gebruiken, getuige de vele vormen waarin met commoning geëxperimenteerd wordt. Daaronder verstaat Laermans het niet-hiërarchisch en zonder winstoogmerk gezamenlijk creëren, beheren en produceren. Hij ontleent aan de danstheoreticus Lepecki de term leading-following om zo’n niet-autoritaire manier van samenwerken te verbeelden.

Helemaal mee met de Italiaanse marxisten gaat Laermans toch niet. In het neoliberaal bestuur ziet hij vooral een reden voor meer overheidsregulering. Riskant, want neoliberalisering behelst nu juist, in weerwil van de clichés daarover, geen laissez-faire maar uitgebreide overheidsregulering. Dat zal zijn waarom Laermans bijzondere aandacht heeft voor het populisme, waarin een strijd om de staat plaatsvindt die wellicht op enig moment, zoals Corbyns Labour of het Spaanse Podemos laat zien, ook ooit anti-kapitalistische uitkomsten kan hebben.

Broodfabriek

Laermans zelf blijft in Ik, Wij, Zij een gespleten persoonlijkheid, schipperend tussen sociologische systeemtheorie en autonoom marxisme. Waarmee maar duidelijk wil zijn dat ook de maatschappijdiagnostiek geen alomvattend zicht claimt. De sociologie à la Laermans is er dan ook niet om helderheid te verschaffen, maar eerder om een complexe maatschappij meer complexiteit aan te bieden. Dat is immers waar zo’n maatschappij behoefte aan heeft omdat het aanpassingsvermogen met zich meebrengt: zoals een broodfabriek die, bij verminderde vraag naar brood, de machines ook op crackers kan instellen, zo biedt complexiteit een moderne maatschappij opties, nodig om te kunnen sturen.

Lees ook: Waar komt toch dat hardnekkige geloof in de vrije markt vandaan?

Laermans slaagt er uitstekend in om die complexiteit in alledaagse taal en met gevoel voor pedagogiek uit te leggen. Of daarmee het neoliberale monster gevoed wordt met materiaal voor de permanente aanpassing en innovativiteit die kenmerkend is voor het neoliberale bestuur, is de vraag. De systeemtheoreticus en de autonoom marxist zullen het wellicht eens zijn over het antwoord: ja. Maar waar de eerste ervan uitgaat dat er geen standpunt buiten de bestaande orde in te nemen is, heeft de laatste zijn hoop gevestigd op het gemeenschappelijke dat altijd al onder die orde groeit, en dat die orde op een dag zal overwoekeren. Laermans biedt toegankelijk en bruikbaar materiaal voor de broodnodige reflectie hierop in de magere jaren die staan te komen.