Financiële steun aan het betaald voetbal? De basis is al heel lang wankel

Financiën profvoetbal Den Haag beslist binnenkort over een reddingsplan voor het betaald voetbal. De sector is al jaren financieel kwetsbaar. In hoeverre is overheidssteun opportuun?

Feyenoorder Robert Bozenik traint achter gesloten deuren op trainingscomplex 1908.
Feyenoorder Robert Bozenik traint achter gesloten deuren op trainingscomplex 1908. Foto Koen van Weel/ANP

Ze erkennen dat verandering nodig is. Het bestaande bedrijfsmodel, in combinatie met de financiële strategie, is aan herziening toe. Onder druk van de ongekende crisis lijken de betaald voetbalclubs tot inkeer te komen – in woord althans.

Het is, enigszins verhuld, te lezen in het deltaplan ‘De toekomst van het Nederlands voetbal’, opgesteld door de KNVB en gesteund door de 34 profclubs. De sector heeft „een vangnet” nodig om vervolgens „gezamenlijk een fundamentele transitie” te maken naar een „nieuwe, duurzame en financieel gezonde toekomst voor de bedrijfstak”.

„Deze transitie zouden wij het liefst zelfstandig maken, maar gezien de enorme effecten van de coronabeperkingen op ons bedrijfsmodel hebben we hulp nodig van de overheid om de gewenste transitie succesvol te maken.”

Eerst geld, eerst overleven – dan zullen we veranderen.

Enige argwaan is op zijn plaats, hulpbehoevend als het profvoetbal vaker is geweest. Het is niet dat de sector vóór de coronacrisis de indruk maakte grote hervormingen door te zullen voeren. Maar nu, met de steunaanvraag van maximaal 140 miljoen euro in Den Haag, is de sector er alles aan gelegen beterschap te beloven en goed gedrag te tonen.

Voor eind juni zal minister Martin van Rijn (Medische Zorg en Sport) beslissen over mogelijke steunmaatregelen. De vraag die erboven hangt is in welke mate een bedrijfstak te hulp moet worden geschoten die van zichzelf weinig weerstandsvermogen heeft, door het gebrek aan opgebouwde buffers. Een sector die, volgens critici, in financieel opzicht al langer kraakt door het gevoerde beleid.

‘Bedreigend voor voortbestaan’

Vijf van de achttien eredivisieclubs hadden twee seizoenen terug een negatief eigen vermogen, en elf in de eerste divisie – dus opgeteld bijna de helft van alle profclubs. Dat blijkt uit een analyse van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA), in mei 2019. Zij schreef een open brief aan de KNVB waarin de zorgen over de financiële kwetsbaarheid kenbaar werden gemaakt. „Het ontbreken van eigen vermogen is bedreigend voor het voortbestaan van veel clubs.”

GroenLinks drong juni 2019 in een motie aan op een positief eigen vermogen bij alle clubs. Bruno Bruins, toenmalig sportminister, ging in gesprek met de KNVB, die erkende dat de financiële situatie van clubs „verder verbeterd” moest worden. Harde toezeggingen voor het versterken van de vermogenspositie werden niet gedaan.

Het probleem zit met name bij kleine en middelgrote clubs, zoals ADO Den Haag, FC Utrecht en Fortuna Sittard, die alle drie een negatief eigen vermogen noteerden in de meest recente jaarcijfers. De topclubs zijn de uitzondering; zij hebben voldoende stootkussens aangelegd.

„Het probleem van de sector is niet zozeer of er voldoende geld is, maar hoe ermee wordt omgegaan”, zegt Robert Mul van de NBA nu desgevraagd. Hij was destijds betrokken bij de analyse van de brancheorganisatie. „Ze geven te veel uit, zijn niet zuinig genoeg.”

Feyenoorders Eric Botteghin en Robert Bozenik aan het werk op het trainingscomplex 1908. Foto Koen van Weel/ANP

Zij vinden dat de KNVB in de licentieregels veel strenger moet sturen op het financiële herstel bij clubs die er slecht voorstaan. Juni 2018 verplichtte de bond clubs die een negatief eigen vermogen hebben (dus: meer schulden dan bezittingen) dit per jaar met 5 procent te verminderen. Dat is „een opmerkelijk laag percentage”, stelde de NBA. „In het uiterste geval zou een club er langer dan twintig jaar over mogen doen om weer een positief eigen vermogen te verkrijgen.”

Mul: „Het gaat mij om de basale houding: vind je dat een club een positief eigen vermogen en reserves moet hebben?” Dat bewustzijn mist hij bij zowel clubs als de bond.

Mul pleit ervoor dat clubs als familiebedrijven geleid gaan worden, met meer reserves en oog voor de lange termijn. „Die omslag zou er moeten komen: is de club er straks ook nog voor mijn kinderen? Als een club nu in de problemen komt doen ze vaak een beroep op de gemeente of op vreemde investeerders.”

De bedrijfsstrategie van clubs komt er nu in essentie op neer dat punten boven geld gaan – al hangt sportief resultaat nauw samen met financieel resultaat. Maximaal presteren zonder dood te gaan, omschreef clubadviseur Pieter Nieuwenhuis het eerder in NRC. „Doordat je die strategie volgt, hoopt er nooit kapitaal op.”

Lees ook het interview met voetbalmakelaar Rob Jansen: ‘Het is tijd dat de ethische moraal in het voetbal het wint van de dollartekens’

Het is een wankel model. De langjarige trend is dat het operationeel resultaat – hoe het bedrijf primair draait – wordt goedgemaakt met transferinkomsten. Twaalf van de achttien eredivisieclubs hadden in 2019 een operationeel verlies, blijkt uit een rapport van het Sports & Economics Research Centre van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN). Ofwel: tweederde was afhankelijk van transfers bij het schrijven van zwarte cijfers.

Dat is risicovol. Het is als beleggen op de aandelenmarkt, zegt sporteconoom Willem de Boer van de HAN, betrokken bij het onderzoek. „Als het goed gaat met de economie wordt veel verdiend, maar als het slecht gaat moet je ook veel verliezen nemen. Op zich niet zo erg als je dat doet met spaargeld dat je ‘over’ hebt, maar in het geval van profclubs worden aandelen gekocht met de hypotheek en dan heb je dus wel een groot probleem.”

Doordat opbrengsten uit transfers geen structurele inkomstenbron vormen, mogen clubs het ook niet meerekenen in het bedrijfsresultaat. Maar veel clubs zien de spelershandel, zeker gezien de functie van Nederland als opleidings- en exportland, als een belangrijk onderdeel van hun businessmodel. Eén die het verschil kan maken tussen winst- of verliescijfers.

De afhankelijkheid van de transfermarkt – die zich kenmerkt door speculatie en volatiliteit – maakt de financiële uitgangspositie van clubs delicaat. Scherp gesteld: er moet verkocht worden, om niet failliet te gaan.

Over het algemeen ging dat lang goed, gestuwd door de hausse op de transfermarkt in het afgelopen decennium. Maar nu de verwachting is dat de transfermarkt deze zomer door de crisis zal terugvallen, krijgen clubs een probleem.

Recettes blijven uit

Maar de zorgen gaan verder – en zijn groter – dan dat. De overheid wordt in het plan gevraagd een deel van de coronagerelateerde omzetderving te compenseren, nu tot 1 september geen duels gespeeld mogen worden en publiek niet is toegestaan.

Clubs zeggen met name geraakt te worden door het uitblijven van recettes, in de eredivisie gemiddeld goed voor 19 procent van de omzet. Maar ondertussen loopt de seizoenkaartenverkoop verrassend goed. Daarnaast wordt gevreesd voor een sterke terugval in de commercie –sponsoring, business seats – dat gemiddeld voor 54 procent van de omzet zorgt.

Het knelt bij de salarissen. De totale jaarlijkse loonsom van de sector is 409 miljoen euro, tegen een omzet van 620 miljoen

Aan de uitgavenkant knelt het bij de salarissen. De totale jaarlijkse loonsom van de sector is 409 miljoen euro (359 miljoen eredivisie, 50 miljoen eerste divisie), tegen een jaaromzet van 620 miljoen. De mediaan, dus de centrummaat, van salarissen in de eredivisie ligt rond de 100.000 euro bruto per jaar (met enkele uitschieters naar vier tot vijf miljoen). In de eerste divisie is dit zo’n 35.000 euro. De sector sloot begin mei al een collectief akkoord om salarissen tijdelijk te korten, tot maximaal 20 procent. Maar daarmee zijn ze er nog niet.

De bedrijfstak dringt erop aan de zogenoemde NOW-regeling door te zetten zolang zonder publiek wordt gespeeld. Hierbij neemt de overheid een groot deel van de loonkosten over van werkgevers die een omzetdaling van minstens 20 procent hebben – de regeling loopt nu tot eind september. Bijna alle clubs maken hier gebruik van, voor een gezamenlijk bedrag zo’n 10 miljoen euro per maand.

Overbruggingsuitkering

Als de NOW-regeling níét wordt doorgezet, zullen clubs naar verwachting eerder aankloppen voor steunmaatregelen in de vorm van een ‘overbruggingsuitkering’ – mocht het deltaplan worden aangenomen. Dat geld zal dan waarschijnlijk voor een belangrijk deel gebruikt worden om salarissen te betalen, zegt sporteconoom De Boer. Een ingrijpende, structurele korting op de spelerssalarissen is volgens hem onontbeerlijk.

Hij heeft zijn twijfels of de mogelijke overheidssteun gepast is. „Veel clubs staan er beroerd voor door jarenlang financieel mismanagement, met negatieve eigen vermogens, en de afhankelijkheid van inkomsten uit transfers. Ergens was dit een accident waiting to happen.”

Maar, zo staat in het plan, clubs moeten de steunaanvraag goed onderbouwen, met een sluitende begroting, en een akkoord over salariskorting. Overheidsgeld mag nadrukkelijk niet gebruikt worden voor aankoop van spelers.

„Wat wij zeker niet willen is dat dit een verkapte manier is om de hele sector coûte que coûte overeind te houden”, zei Eredivisie CV-directeur Jan de Jong zondag op NPO Radio 1. „Het is geen doel op zich om iedereen er doorheen te trekken.”

Dat is de meer fundamentele vraag, die ook De Boer opwerpt. Volgens hem is een natuurlijke fall-out van sommige clubs goed voor het zelfreinigend vermogen van de sector. Hij heeft zijn twijfels bij mogelijke overheidssteun aan clubs als SC Telstar, FC Eindhoven en Roda JC, gezien de „betrekkelijke maatschappelijke meerwaarde” en het „kleine verzorgingsgebied” waarin ze actief zijn.

De Boer: „Waarom moet je die nog steunen? Dit is een plan voor de korte termijn. Het is de hand ophouden en daarna vooral doorgaan met zoals het was.”

Het subhoofdstuk ‘Duurzame toekomst betaald voetbal’, met enkele innovatieve belevingsconcepten, is een van de kortste van het deltaplan: minder dan een half A4-tje.