Recensie

Recensie Boeken

Een mystiekerig trappistenbiertje

Het land van de handen, Luuk Gruwez’ toevoeging aan de bekende Privé-domeinreeks, bevat ook een fotokatern. We zien de Vlaamse dichter (1953) daarin goedmoedig naast vrienden en andere schrijvers staan, hurken en zitten. Handen om elkaars schouders geslagen; glaasje bier of prik erbij met wat hartigs te knabbelen; melig in de weer met een grote houten paal aan een bosrand. Kortom, het soort vakantiekiekjes waar de lezer vanzelf ‘hèhè, ik zit’ of ‘morgen weer een dag’ bij begint te mompelen.

De foto’s zijn illustratief voor de omlijstende tekst van het boek, die erg omvangrijk is en inhoudelijk gekenmerkt wordt door een gebrek aan nadruk, noodzaak of belang. In de brieven aan collega’s als Benno Barnard en Hester Knibbe gaat het over het weer (‘Hittegolf goed doorstaan’), dromen, kwalen en reisjes, verdeeld over de bladzijden met een strijkboutje der gelijkmatigheid. Behalve Hugo Camps, dat ‘sinistere en gerontofiele gigolootje van Brigitte Bardot’, houdt Gruwez iedereen te vriend en windt hij zich amper op. De dagen van een pensionado. Verderop in het boek wordt de dood alsmaar dominanter: naasten sneuvelen of wekken de indruk dit binnenkort te gaan doen, terwijl de mensen die al vreselijk lang dood zijn weer onder de aandacht worden gebracht (‘Vandaag is Jacques Brel precies veertig jaar dood.’)

Maar toch is de letaliteit geen echt thema. Zoals het boek er simpelweg geen heeft, iets wat het wellicht beter had gemaakt. Het hangt alleen in de inleidende woorden, het zogenoemde ‘introïtus’, in de lucht en het zijn zowat de enige woorden waar een beloftevolle dimensionaliteit uit spreekt. Gruwez belijdt erin zijn liefde voor wat ik voor het gemak maar even de losgekoppelde, onaardse geest zal noemen en waarin het boek (‘Voor mij was de echte wereld er een in druk’) op een voetstuk wordt geplaatst, maar evengoed de alcohol, zoals een bepaalde trappist ‘waar je bijna mystiekerig’ van werd.

Gruwez plaats hier zichzelf in dat kamp en je hoopt dan nog dat Het land van de handen een spannend soort verslag zal zijn van zijn omgang met of afkeer van het andere kamp, dat bevolkt wordt door de nuchteren en realisten, de mensen zónder boek en trappist. Maar nee.

Dat Gruwez een sympathiek figuur is staat wel buiten kijf. Hij komt over als een bezorgd, zorgzaam en wankelmoedig mens, als iemand die zichzelf ziet als ‘enkel en alleen een futiliteit, een verwaarloosbare toevalligheid in een universum dat mij veel te groot is’. Mooi verwoord. Maar je hoeft maar even terug te denken aan de brievenboeken van Flaubert of een boek als De kunst is mijn slagveld, het enkele jaren terug uitgegeven brievenboek van wijlen Nanne Tepper, om te beseffen dat het autobiografische genre wel degelijk spannend, temperamentvol en humoristisch kan zijn en bovendien een inkijkje kan bieden in de totstandkoming van dat waar het ons lezers toch eigenlijk om te doen is: de literaire kunst. Dat gebeurt hier niet.