Opinie

Demonstreren voor jezelf

Column Kunnen de demonstranten van de Black Lives Matter-beweging geschiedenis schrijven? Beatrice de Graaf analyseert wat daarvoor nodig is.

Beatrice de Graaf

Zeg mij waar uw demonstraties zijn, en ik vertel u wie u bent. Als dat zou kloppen voor een land en samenleving als geheel, waren wij Bijlmerbewoners, en een buitengewoon divers, vreedzaam en ethisch bewogen volkje. De Black Lives Matter-demonstratie in de Bijlmer verliep volgens de reportages ‘vreedzaam en gemoedelijk’. Iedereen hield zich aan de 1,5 meter afstand. Men knielde. Hield twee minuten stilte. Volgens spreekstalmeester Mitchell Esajas „hebben we de afgelopen dagen geschiedenis geschreven”.

Daar sta ik graag even bij stil. Esajas heeft zonder twijfel gelijk. Met 11.500 deelnemers was het de grootste antiracismedemonstratie ooit in Nederland. Het was de meest diverse ook. Maar wat voor geschiedenis schrijven demonstraties eigenlijk? Het opvallende is dat er de laatste twee jaar weer een toename van het aantal demonstraties is, nadat het jarenlang relatief stil was. Ik heb het dan niet over de specifiek sectorale protesten van leraren, boeren of zorgmedewerkers die voor hun concrete eigen belang opkomen, maar over de niet-sectorale, civiele protesten. Even om de herinnering op te frissen: De grootste demonstraties in Nederland vonden plaats in 1923 in Amsterdam, met 70.000 deelnemers en 1 miljoen handtekeningen tegen de Vlootwet van het kabinet-Colijn I; in 1965 op het Museumplein tegen de oorlog in Vietnam; in 1981 en 1983 in respectievelijke Amsterdam en Den Haag, waar 400.000 cq. 550.000 mensen tegen kernwapens demonstreerden. Daarna pas weer in 2004, met de demonstratie van Keer het Tij, waar zo’n 200.000 tot 300.000 mensen „voor een duurzame en multiculturele samenleving” (eigen website), en tegen de maatregelen van het kabinet-Balkenende protesteerden.

Laagdrempelig

Wat valt u op? Is dit veel of weinig? Volgens VU-socioloog Jacquelien van Stekelenburg is Nederland meer een demonstratieland „dan we denken”. Demonstraties komen en gaan in golfbewegingen, maar qua aantallen demonstraties zijn Nederlanders de laatste jaren weer best actief. In 2002 telde Den Haag 350 aanvragen, tegenwoordig al 1.500 per jaar. Volgens Stekelenburg spelen de laatste jaren sociale media een belangrijke rol bij die opleving van demonstraties in Nederland. Demonstreren is laagdrempeliger geworden, je gaat sneller met gelijkgestemden op pad. Bovendien is de klimaatproblematiek een grote katalysator geweest voor allerlei spontane acties. Denk aan de schoolstakingen van Fridaysforfuture die in maart 2019 herhaaldelijk een paar duizend scholieren op de been brachten.

Maar zou je niet ook iets anders kunnen concluderen? Meer dan een eeuw lang demonstreerden mensen in groten getale tegen wapens, oorlog en geweld. Voor politieke hervormingen, kiesrecht en emancipatie (van vrouwen, arbeiders, jongeren). Het ging om geopolitiek, defensiebeleid, inspraak en medezeggenschap. Vanaf de 21ste eeuw gingen de demonstraties (als ze niet over direct sectoraal eigenbelang gingen) over onszelf: het zijn manifestaties geworden van moreel ongenoegen en expressies van een nieuwe, gewenste ethiek. We demonstreren niet meer voor dingen die je concreet kunt aan- of afvinken: tegen kernwapens, voor meer medezeggenschap.

Demonstraties zijn indringende vertoningen van (zeer oprechte en terechte) sentimenten geworden; van tranen, van knielende mensen, van verlangen naar gelijkwaardigheid en gelijke behandeling. Met dergelijke demonstraties schrijf je geschiedenis, zeker. Maar wat voor geschiedenis? Zouden dit soort manifestaties ook de politieke geschiedenis in Nederland kunnen herschrijven? Net zoals die eerdere demonstraties dat wisten te doen?

Strategisch denken

Een aantal recente studies heeft geconcludeerd dat de samenlevingen en regeringen aan beide kanten van de Atlantische Oceaan sinds het einde van de Koude Oorlog minder „strategisch geletterd” zijn geworden (zie het laatste nummer van Foreign Affairs bijvoorbeeld). Waar de jaren zestig, zeventig en tachtig van de twintigste eeuw gekenmerkt werden door een steeds grotere betrokkenheid van burgers bij geopolitiek, en buitenlands beleid, is de vasthoudendheid, en de organisatie van civiele lobby’s om hun punten ook daadwerkelijk in politieke veranderingen vertaald te krijgen, de afgelopen twee, drie decennia verloren gegaan. Lobbyen, dat doen de professionele kantoren, dat doen de sectoren, zoals de boeren, die wel degelijk strategisch denken en lokale en regionale partijen in hun zak weten te steken. Maar waar zijn de organisaties zoals destijds het IKV, of de studentenvakbonden van weleer, die mede dankzij hun strategisch opererende voorlieden (Mient Jan Faber, Ton Regtien), civiel en emotioneel protest in – haalbare – politieke standpunten wisten te vertalen?

Flashmobs denken niet strategisch. Zoals Stekelenburg elders al opmerkte: „Protesteren is zwaar. Het kost veel tijd en moeite. Mensen haken weer af.” Demonstraties schrijven geschiedenis als ze toegang tot de burelen van de macht weten te krijgen; als politici hun zorgen aannemen. In de VS zijn al vaker grote en grootse demonstraties geweest tegen politiegeweld en tegen wapengeweld. Maar als de deuren van de macht potdicht blijven, hoe schrijf je dan geschiedenis? Daar heb je solide partijen, bonden, organisaties van het maatschappelijk middenveld voor nodig. Met strategische denkers en civiele lobbyisten die ook bezig blijven als de demonstranten weer naar huis gaan. Anders demonstreer je alleen voor jezelf.

Beatrice de Graaf is hoogleraar geschiedenis van de internationale betrekkingen in Utrecht.