Recensie

Recensie Boeken

Wees op je hoede als je deze dichtbundel leest

Arjen Duinker Wees op je hoede als je Akoestiek leest, de nieuwe dichtbundel (●●●●) van Arjen Duinker. Want hoe simpel de dingen bij hem ook mogen lijken, vaak is er veel meer aan de hand.

Illustratie Getty

‘Ik stond in de Privé’, zegt de een tegen de ander. ‘Ja dat zeggen ze op het trainingsveld’, luidt de respons. ‘Je stond in de Privé’, klinkt het na een tijdje: ‘Je keek alsof je erin wilde staan’, waarop die ene weer antwoordt: ‘Ik stond in de Privé in een mooi pak’, beaamd door de ander: ‘Wat een mooi pak om mee in de Privé te staan.’

Even triviaal klinken deze uitspraken in hun context, het eerste tweestemmige gedicht uit een reeks van tien, die tezamen Arjen Duinkers Akoestiek vormen. Maar tegelijkertijd zijn ze ook bijzonder, omdat het eigenlijke gesprek heel anders verloopt. De dichter voegt namelijk allerlei andere uitlatingen in:

Ik zag een vogel in een boom

In een grot en op het strand
Vogels houden van antennes


Je stond in de Privé
Je keek alsof je erin wilde staan

In een grot
In een grot op je vingers fluiten


Ik weet het weer

Op een boot op de Linge


Ik heb je gehoord
Kon je het makkelijk vinden

Ik stond in de Privé in een mooi pak


Ik heb je gehoord
In een grot en op het strand

Wat een geschiedenis wat een mythe
Wat een mooi pak om mee in de Privé te staan

Zigzaggend reageren de stemmen op elkaar. Vaker wel dan niet lijkt de reactie niet of ternauwernood aan te sluiten op het gezegde. Soms valt het kwartje later, zoals bij de Privé, soms helemaal niet. De vraag waar die Privé vandaan komt, wordt niet beantwoord. En hoe zit het met de Linge? Waarom denkt de spreker daar opeens aan?

Je leest dit gesprek en gaat op zoek naar logica en coherentie. Er is genoeg herhaling, variatie, verhaspeling en associatie om verbanden te leggen. Motieven als de Privé en de Linge – en de vele (plaats)namen die je in Akoestiek aantreft – doemen op en ebben weg, totdat een van de stemmen ze door een nieuwe associatie of plotse herinnering opnieuw inbrengt in het gesprek, als je trouwens van een gesprek kunt spreken.

Wanneer je wat samenhang op het spoor bent, krijg je het gevoel dat je dichterbij komt, dichter bij de betekenis van dit gesprek, zoals aan het begin van ‘Ik fluister’:

Fluister vier min vijf plus zes

Ik hoor iets
Vier min vijf plus zes of zoiets

Fluister achtenzeventig keer drie

Ik hoor achtenzeventig keer drie of zoiets

Ja achtenzeventig keer drie plus twee
Ja achtenzeventig keer twee plus drie

Ik hoor iets
Ik hoor je zoiets fluisteren

Achter in de kerk
Ja achtenzeventig keer drie plus twee

Hoeveelheid is een schatting

Ik hoor je achterin iets fluisteren

Deze interactie is begrijpelijk en het verband is duidelijk. Althans: dat is de suggestie. De context van het gesprek daarentegen: is hier sprake van een doorfluisterspel of van wat gesmiespel tijdens een dienst? Ook hier begin ik te twijfelen aan de coherentie, niet alleen door de verraderlijke eenvoud van de dialoog, maar evengoed door het fluisteren, het vage ‘of zoiets’ en de uitspraak dat hoeveelheid een schatting is, waardoor zelfs een getal of som van zijn feitelijkheid ontdaan wordt.

Begrip is illusie

Van twijfel had ik minder last bij andere tweestemmige gedichten van Duinker, afkomstig uit De zon en de wereld (2003). Die gedichten leunen sterk op de ritmiek van overvloedige herhalingen en langzame betekenisverschillen. Al convergerend werken de stemmen toe naar een climax (die uitblijft of allang gaande is?), terwijl in Akoestiek de stemmen steeds meer divergeren, in Duinkers zoektocht naar de rek in een gesprek.

Wat ook meespeelt, is dat Arjen Duinker (1956) de dichter van dienst is. Daarom ben ik op mijn hoede, want hoe simpel de dingen bij hem ook mogen lijken, vaak is er veel meer aan de hand. Bij nader inzien is van eenvoud helemaal geen sprake.

Hij mag dan wel de dichter zijn die de dingen bij hun naam noemt (‘Vogels houden van antennes’), hij schreef óók deze iconische regels: ‘Nee, geen begrip. / Ik zie ervan af mij te wensen / Het kleinste begin van begrip. / De tafel beweegt onder mijn handen… // Want begrip is illusie.’

Het intrigerende aan deze tweestemmige gedichten is dat er niet ergens in de verte een limiet is waar een gesprek overloopt in wartaal. Dat gevaar ligt altijd op de loer, hoe coherent een gesprek ook moge lijken. Het is een wankel evenwicht, de akoestiek van deze papegaaiende stemmen, het kan even snel verstaanbaar of dissonant klinken – of beide tegelijk.

Dus laat ik mij vermaken door deze janboel. Op het puntje van mijn stoel zit ik te wachten op de zoveelste twist, op zoek naar wat houvast of juist wat verdwazing, zoals in ‘Kleine camping’:

Ik was er graag gebleven

Precies wat ik in Toscane voelde
Golven hebben elkaar nodig

Laat me niet lachen
Zoals letters van woorden
Zoals woorden van zinnen

Ja ik had slecht geslapen
Ik miste de kleine camping

En toen

Toen belde mijn moeder

Ik weet het weer en toen

Prachtig om dat zo te verwoorden
Die Italiaanse vrouw uit Napels