Hans Dorrestijn over de dood: „De gedachte dat je dan nooit meer een stuk van Bach kunt horen is verlammend. En al die leuke men sen die je dan niet meer zult spreken. Ik vind de dood echt doodeng.”

Merlijn Doomernik

Interview

Cabaretier Hans Dorrestijn: ‘Voor echt lijden heb ik de kracht niet meer’

Hans Dorrestijn | Cabaretier, schrijver Hans Dorrestijn wordt deze maand tachtig, een mijlpaal die hem vroeger beklemmend leek. Maar het valt hem „reusachtig mee”. „Ik heb leren genieten van de dingen waar ik niet goed in ben.”

Op zijn vijftigste maakte hij er al een gedicht over:

God, wat is het leven

prachtig;

Nog dertig jaar dan ben ik tachtig!

‘Tachtig’ leek Hans Dorrestijn toen nog een uitermate beklemmend voorland. Maar volgende week, op 16 juni, zal hij het toch worden. „En weet je wat zo grappig is?” zegt hij op een toon alsof hij een mop gaat vertellen. „Het valt me eigenlijk reusachtig mee.” Hij ziet er ook stralend uit; donkerblauw overhemd met witte stipjes onder een kobaltblauw ribfluwelen jasje, heldere ogen achter een felgeel brilmontuur. In elk geval verkoopt hij zichzelf een stuk beter dan vroeger, zegt hij. „En ik ben lang niet meer zo verscheurd als toen. Je kúnt niet eens meer zoveel lijden als je oud bent. Daar heb je domweg de kracht niet voor.” Misschien heeft hij al die jaren wel veel te veel geklaagd. „Als ik nu vertel over mijn akelige jeugd moet ik er vooral om lachen.” En het helpt ook dat hij sinds twintig jaar niet meer drinkt. „Achteraf heb ik er spijt van dat ik zoveel jaren verzopen heb. Drank verzwakt je, vertekent de wereld. Ik heb oneindig veel meer respect voor mensen die ongelukkig zijn maar het leed incasseren zonder roes.”

We zitten aan de lange eettafel, in zijn huis in Bennekom. Hier heeft hij de afgelopen maanden de coronatijd uitgezeten, rustig werkend aan zijn boek Wensvogels, en aan Het houdt een keer op, het theaterprogramma dat hij vanaf september hoopt te spelen. Bedoeld als afscheidsprogramma, als slotakkoord van zijn cabaretloopbaan. „Al beloof ik niks. Misschien ga ik gewoon nog door.” Meestal zit hij hier met de verrekijker onder handbereik, voor het geval zich in zijn tuin onverhoeds een goudvinkje of een kneu mocht aandienen. Wanneer tijdens het gesprek plotseling een doffe bons tegen het raam klinkt, springt Dorrestijn geschrokken op. „Een merel? Ik ga even kijken of het goed afgelopen is.” Om even later zichtbaar opgelucht weer te gaan zitten. „Hij lag er niet. Godzijdank!”

Lees ook de NRC-recensie uit 2018 van Dorrestijns boek over ouderdom: Het Rimpelperspectief

Jaren vijftig: het ijkpunt

‘Tachtig’ is voor veel mensen een moment om over hun schouder te kijken naar wat er aan leven achter hun ligt. Maar hij is altijd al een omkijker geweest, zijn leven lang. Zijn ex zei vroeger al: jij leeft in het verleden. Hij kent nog bijna alle namen van de kinderen uit zijn ULO-klas uit zijn hoofd. Moeiteloos somt hij ze op: Kees Koudijs, Elly Niemeyer, Nienke van der Meer en al die andere kinderen van toen. Namen uit een periode die in zijn hoofd is gestold tot ideaalbeeld. „Ik meet mijn leven nog steeds af aan hoe het leven was in Hilversum, tussen 1950 en 1960. Dat is voor mij nog steeds de wereld. Anders moest het niet worden. Misschien wel omdat ik het thuis niet goed had. Buiten was het veiliger dan thuis.”

Of hij helden had als jongen? Nou ja, Wim Kan en Toon Hermans waren helden. En zijn eigen vader misschien ook wel. Terwijl hij hem nooit heeft gekend. Zijn vader zat in het verzet, en werd in 1942 vermoord in kamp Amersfoort. Hij was toen pas twee – zijn moeder sprak daarna met geen woord meer over zijn vader. „Ze zei alleen – en dat knarst nog steeds na in mijn oren – dat hij ons in de steek had gelaten. Terwijl die man nota bene met fietstassen vol wapens reed, mensen redde, Joden hielp. Maar het draaide bij ons thuis alleen om mijn stiefvader. Daardoor werd mijn echte vader veel doder dan hij was.”

Zijn vader werd maar zesentwintig. En toch bleef hij voor zijn zoon een moreel ijkpunt uit wiens schaduw hij maar amper wist te ontsnappen. „Vergeleken met hem heb ik mezelf altijd een slecht en zwak mens gevoeld. Ik ben bang dat ik meer op mijn moeder lijk. Die was absoluut geen heldin. Ik vrees dat dat voor mij ook geldt.”

Hij schreef er later een tekst over – Oorlogswinter – op muziek van Harry Bannink.

Vader,

Je bracht mij toen naar Friesland

Winter van vierenveertig

Er lag sneeuw. Het was koud

Banden van hout

Gladde weg vol met kuilen

Na een kwartier ging ik huilen

En ik zeurde om brood

Het was hongersnood

Het is pijnlijk om toe te geven, maar in werkelijkheid ging die tekst over zijn tante. Díé bracht hem tijdens de oorlog achterop de fiets naar Friesland. Zijn vader was toen al twee jaar dood. Hij schaamt zich er nog steeds voor dat hij de waarheid naar zijn hand heeft gezet. „Maar ja, begin zo’n tekst maar ’ns met ‘Tante’. ‘Vader’ is een basis waar je direct warm van wordt. En ik had zo graag gewild dat het mijn vader was geweest die mij naar Friesland had gebracht.”

Toch moet hij een vage herinnering aan hem hebben gehad. Toen hij na de oorlog in Oosterwolde werd opgehaald door zijn stiefvader, riep hij als jongen van nog geen vijf: ‘Dat is papa niet.’ „Mijn stiefvader was klein en dik. Mijn vader was lang, mager en had een bril. Dát wist ik blijkbaar nog.”

Dorrestijn ging na de ULO naar de kweekschool, studeerde Nederlands en kwam daarna in het onderwijs terecht, als leraar Nederlands op het Wagenings Lyceum. Zijn eerste jaren als leraar waren een drama. De leerlingen klommen tijdens zijn les over de banken. „De rector verzocht me op een dag om er alsjeblieft wat minder kinderen uit te sturen omdat zijn kamertje te vol werd.”

Eigenlijk begon zijn leven pas echt een beetje vorm te krijgen toen hij rond 1975 in het Schrijverskollektief belandde, dat teksten schreef voor radio- en televisieprogramma’s als De Stratemakeropzeeshow en J.J. de Bom. Daar kwam hij in contact met mannen als Willem Wilmink en Harry Bannink. „Dat waren zielsverwanten. Toen ben ik een tijdje echt gelukkig geweest.”

Lees ook over de kleinkunsthommage aan Dorrestijn uit 2017: ‘Lachsalvo’s volgen elkaar op’

In die jaren begon hij ook met optreden. Hij vond het aanvankelijk „de hel”. Ook omdat regelmatig hele rijen tegelijk de zaal verlieten. In de trein op weg naar een optreden zagen zijn vingers vaak wit. „Helemaal dood, door die verscheurende angst voor de afgang, voor de totale mislukking.” Bij aankomst in het theater moest hij zijn handen eerst minutenlang in een emmer heet water houden, voordat hij een akkoord kon aanslaan. „Ik heb toen ontdekt waar het centrum van de menselijke schaamte zit: in de knieholtes. Als ik na afloop naar huis ging, voelde ik de schaamte tot in mijn knieën. Omdat ik wist: dit was waardeloos.” Soms kreeg hij tijdens zo’n zware avond in zijn wanhoop een ingeving. „Toen er weer eens niemand lachte, drong opeens het geluid van een voorbijrijdende ambulance de zaal binnen. Ik zei: ‘Eindelijk iemand die er nog slechter aan toe is dan ik.’ Báf! Toen had ik het pleit gewonnen en gingen ze om.” Door de jaren heen kwam alsnog het plezier in het spelen. Hij was op dat moment al dik in de vijftig. „Ik zeg altijd: toen ik voor het eerst optrad in De Kleine Komedie begon mijn cabaretleven pas echt. Ik was weer eens doodsbang. Totdat de technicus naar buiten wees. ‘Hans, zie je die mensen die tot voorbij de brug staan? Die komen allemaal voor jou.’ En vijfhonderd mensen die in dat donker keihard om je lachen, daar groei je enorm van. Je gaat er ineens veel beter van timen.”

Hans Teeuwen – ‘een genie’

Al bleef hij zich als cabaretier altijd een kleine jongen voelen. „Ik leg het af tegen veel collega’s die gewoon veel betere performers zijn, betere vertolkers van hun materiaal. En dat zijn ze bijna allemaal. Ik ben weleens een dag mee geweest met Hans Teeuwen. ’s Middags werd hij opeens even heel stil. Zijn technicus zei: ‘Oh, hij heeft blijkbaar een nummer bedacht.’ Dat wás ook zo. En tot mijn verbijstering dééd-ie dat nummer nog diezelfde avond. Terwijl ik een nummer eerst veertig keer moet overtikken, dertig keer hardop moet lezen en daarna twintig keer moet uitproberen. En hij doet het in één keer. Dan is voor mij de conclusie simpel: hij is een genie en ik niet. Dat is zó goed dat ik niet eens jaloers word. Daar kan ik alleen maar in grote bewondering naar kijken.” Terwijl zijn eigen grappen echt niet slecht zijn. Want dat weet hij allang; met sommige teksten krijgt hij alle zalen plat.

Als ik een vrouw ontmoet met een intelligent gezicht/ een edel gevoelig profiel en beschaafde manieren/ met poëziebundels van Rainer Maria Rilke en Hölderlin/ en een altviool onder de arm,/ dan denk ik meteen aan neuken.

Grijnzend: „Die doet het echt altijd.” Alleen waren zijn melodieën vaak het zwakke punt. „Als ik maar een beetje Bannink in mij had gehad, dan hadden ze een buiging voor mij kunnen maken.” Maar goed, Harry Bannink was dan ook een componist van de buitencategorie. Eigenlijk is hij een mazzelkont dat hij het geluk heeft gehad om in dat Schrijverskollektief jarenlang met hem te kunnen optrekken. „Harry was zo’n ongelofelijk lieve man. Bij hem vergeleken ben ik een rat met vlerken.” Een enkele keer kwam Dorrestijn bij hem thuis in Bosch en Duin. Dan kwam Bannink soms met onverwachte adviezen. ‘Voor ik het vergeet Hans: Prelude 22, eerste boek van Das Wohltemperierte Klavier… Probeer het maar eens. Is je op het lijf geschreven.’ Het heeft hem jaren gekost voordat hij de compositie kon spelen. Maar wat hád Bannink gelijk; bij geen stuk vond hij zoveel troost als bij deze prelude van Bach. Dorrestijn loopt naar de piano, plaatst de partituur haast teder op de standaard en begint te spelen. „Hoor je dit?”, vraagt hij gelukzalig, terwijl zijn vingers gecompliceerde toonladders afdalen, af en toe struikelend over een loszittende tonale traproede. „Wel vijf mollen, hé”, zegt hij verontschuldigend. Dan houdt hij abrupt op. Ik zie hoe hij even siddert. „Dit kan ik niet spelen zonder aan Harry te denken.” Hoofdschuddend: „Ook al dood…”

Of hij het leven nu beter snapt dan toen hij vijftig was? „Een klein beetje”, zegt Dorrestijn. „Je gaat je eigen kwalijke rol scherper zien. Dat is best moeilijk: voor zwakke dingen in jezelf heb je als mens geen zijspiegels. Ik snap nu bijvoorbeeld heel goed dat de vrouwen me niet wilden toen ik jong was. Ik dacht altijd dat het door mijn kop kwam. Later hebben verschillende vrouwen mij verzekerd dat het niet zozeer mijn kop was. Het kwam omdat ik zo angstig was, zo’n ongelofelijke zenuwenlijder. Als ik in het café aan het versieren was, begon ik direct over mijn slechte jeugd. Binnen een kwartier barstte ik in huilen uit. Die vrouwen gleden vervolgens zwijgend van hun kruk en verdwenen. Logisch; wie wil er nou een dronken jankerd, een zielenpoot? Zoveel wanhoop is onaantrekkelijk. Tegenwoordig maak ik echt een veel leukere indruk. Zelfs in een kamer met schoonheidskoninginnen kom ik nu betrekkelijk prettig binnen.”

Belabberd vogelen

„Het goede aan mij is dat ik me inmiddels niet meer schaam voor wat ik niet goed kan. Ik heb erin berust dat ik over veel dingen langer doe dan een ander. Ik ben een erbarmelijk pianist. Maar ik vind sommige stukken zo godsgruwelijk mooi, dat ik er net zo lang op studeer tot ik ze een beetje kan spelen. Ik ben ook een buitengewoon belabberde vogelaar. In het veld stel ik helemaal niks voor. Laatst ging ik voor een televisieprogramma het bos in. Wat denk je? Ik kon niet één vogel herkennen. Al kon ik na een uurtje eindelijk toch een graspieper aanwijzen: een onaanzienlijk bruin vogeltje met buitengewoon pientere oogjes.” Vroeger was het nog erger: dan stond er een hele groep vogelaars om hem heen te wijzen naar onduidelijke takken en ondefinieerbare vogels. „Het duurde minstens een half uur voordat ik er ook een zag. Maar dat is de winst van ouder worden: ik heb leren genieten van de dingen waar ik niet goed in ben.”

Eigenlijk is hij best trots als mensen tegen hem zeggen: ‘Bent u táchtig? Dat zou je niet zeggen…’ Al is er één groot nadeel aan deze levensfase: de dood is inmiddels wel akelig dichtbij gekomen. Hij stelt zich soms voor hoe het zal zijn om dood te zijn. „De gedachte dat je dan nooit meer een stuk van Bach kunt horen is verlammend. En al die leuke mensen die je dan niet meer zult spreken. Ik vind de dood echt doodeng. Aan de andere kant is het logisch dat oude mensen het eerst sterven. Tijdens corona heb ik er veel over nagedacht. Die lockdown was er vooral om oude mensen zoals ik te beschermen. Maar om me heen zag ik ondertussen jonge mensen in de problemen komen. De een na de ander ging failliet. Als dát blijkbaar nodig is om mijn leven te sparen dan heb ik dat liever niet. Als we zouden kunnen ruilen, vind ik dat ik dan maar weg moet.” Hij pauzeert, zegt dan: „Dan ben ik in feite toch weer terug bij mijn eigen vader. Er zit blijkbaar meer van hem in mij dan ik vroeger dacht.”