Foto Frank Ruiter

Interview

‘Probeer iets, durf te mislukken’

Wat maakt het leven de moeite waard? Schrijver Nicolaas Matsier vindt veel interessant, vooral details die hem omringen. Van de hoogte van de Dam tot zonlicht door een plastic doosje.

Geen schrijver met meer belangstelling voor alles wat ons omringt dan Nicolaas Matsier (75). Zijn boeken wemelen van de brillen, espresso’s, potloodstompjes, bakstenen, gevelversieringen, paraplu’s, fietsen. En niet alleen van die dingen zelf, ook van hun historie. „Misschien is het wel een fase in ieders leven: die van de ontdekking dat alles, maar dan ook alles, een geschiedenis heeft”, schreef hij eens in een essay getiteld ‘Knopen: een kunstgeschiedenis’. Eén van zijn boeken heet Dicht bij huis. Een schrijver die uit zijn doppen kijkt, die Amsterdamse buurten door gaat wandelen om te zien hoe je de geschiedenis door het heden heen kunt zien steken, als je iets van die geschiedenis weet tenminste. „Je ziet anders niks”, zegt hij.

We zitten in mijn huiskamer, op gepaste afstand aan ieder een kant van de tafel. Hij had wel zin om er even uit te gaan en naar Noord-Groningen te komen. We kennen elkaar, dat maakt zijn bezoek ook vanzelfsprekender.

Er is maar weinig wat zijn belangstelling níét lijkt te wekken, zeg ik. „Ik maak inderdaad ongeveer geen onderscheid tussen klein en groot, als het gaat om vragen”, zegt hij. „Ik vind dat je vaak op een verrassende manier ergens aankomt door detailvragen te stellen. Het is ook anti-abstract denken hè. Ik vind filosofie al heel snel tamelijk vervelend.”

Vanwege die abstractie?

„Ja. Ik houd ook eigenlijk alleen maar van filosofen zoals de latere Wittgenstein of Nietzsche, dat zijn eigenlijk essayisten, geen systeembouwers. Het zijn mensen die zich met al dan niet grote hartstocht op iets storten. Ik houd ook meer van dichters en essayisten dan van romanschrijvers, eerlijk gezegd.”

„Waarom zou je miniem geluk eigenlijk miniem noemen?”

Opmerkelijk voor een romanschrijver, maar tekenend voor de houding waarmee deze schrijver zijn romans schrijft. En ook voor de houding waarmee deze mens zijn leven leeft. Omringd door details. En door vragen naar het hoe, het wanneer, het hoe-is-dat-zo-gekomen.

Er gebeuren allerlei dingen, zegt hij. Aldoor. „Het is te klein om te benoemen eigenlijk hoor, maar laatst bij een tamelijk hersenloze bezigheid, het zetten van een espresso, zag ik iets – er stond een plastic doosje met de koffie erin, en toen viel het licht met een prachtige indirectheid, ik had het nog nooit zo gezien, door de buitenruiten en dan door het wandje van dat plastic doosje en dat gaf een soort régenboogje. Zo mooi. Hahaha. Dat is miniem geluk. Maar waarom het eigenlijk miniem noemen?”

Bedoel je dat met geen onderscheid maken tussen klein en groot?

„Nu ja”, zegt hij en draait gauw een wat grotere kant op, naar de coronawandelingen die hij en zijn vrouw door Amsterdam maken en hoe leuk het is om dingen te zien die je nog niet eerder hebt gezien. Details aan een 19de-eeuws schoolgebouw bijvoorbeeld, bepaalde tegels, en hoe je je dan gaat verdiepen, even, in het schoolsysteem van rond 1900. Of waar je wel en waar niet kunt zien dat er grachten gedempt zijn. En dat de Dam echt een heuveltje is, terwijl je als je naar Amsterdam-Oost gaat juist meters naar beneden gaat. „Zulke dingen vind ik dus leuk, dat is geschiedenis tot en met het plaveisel om zo te zeggen. Ik wil graag als ik ga fietsen een beetje weten waar ik ben. Ik oriënteer me heel slecht overigens. Ik ben geen gevaar op de weg, maar ik verzink snel in gedachten. Daar begint het natuurlijk mee. Dat je wel in het klein heel erg aanwezig kunt zijn, en detail, maar dat je toch erg slecht hebt opgelet welke route je hebt afgelegd. Het is een verschillend soort opmerkzaamheid.”

Heel goed de richting weten is misschien in tegenspraak met het essayistische denken?

„Ja, in een essay laat je je juist graag dwalend meenemen. In eerste instantie vooral door jezelf. En er zit ook iets kinderlijks in van: het komt wel goed, straks.”

Hoop je misschien toch dat achter al die details een systeem verscholen zit? Of in jouzelf?

„Wat ik altijd geweldig heb gevonden van” (hij pauzeert even en aspireert dan flink omdat hij deze naam ‘met respect’ wil uitspreken) „filosoof David Hume, is de uitspraak dat je eigenlijk een keten bent van momenten en bewustzijnsvormen. De persoonlijkheid is een soort kralensnoer van momenten, elke kraal is een nieuw nú. Dat vond ik een fantastisch beeld, dat heeft voor mij een groot waarheidsgehalte.”

En dan bespreken we van alles, het ratjetoe aan bouwstijlen aan de Amsterdamse grachten en de tinnen soldaatjes waarmee prins Maurits veldslagen voorbereidde – hij interesseert zich voor Maurits omdat hij een tegenhanger zou willen schrijven van zijn anderhalf jaar geleden verschenen roman De advocaat van Holland, over de laatste maanden van Johan van Oldenbarnevelt. Maar ook werkt hij aan een boek over alle vormen van verkleining en vergroting, over schaalmodellen. En zo komen we op globes en op de atlassen van Blaauw en op Blaauw zelf en op vakmanschap en ambachtelijkheid. Waarom met aandacht en zorg gemaakte dingen mooi zijn, ook als ze dat niet meteen al zijn. Ze zijn anti-onverschillig, concludeert hij. En ja, zo pratend lijkt de wereld een aaneenschakeling van interessante dingen, als het ware geheel vanzelfsprekend de moeite waard.

Foto Frank Ruiter
Foto Frank Ruiter
Foto’s Frank Ruiter

Niet dat dat alles nu voortdurend voor een opgewekt humeur zorgt. De eigen manier van leven, inclusief de nabije mensen, de eigen interesses, dat is allemaal nogal marginaal ten opzichte van de macht, van degenen die werkelijk de lakens uitdelen, vindt Matsier. „Dat is echt een andere wereld, daarin spelen aardigheid en schoonheid en interesse in het verleden geen enkele rol, ben ik bang.” Even weidt hij uit over alles „waar ik enorm de pest aan heb” zoals het kortetermijndenken, het alleen maar denken: wat brengt het mij, het niet-denken in grotere gehelen, noch in tijd, noch wat betreft de grotere omgeving.

Daar wordt hij wel somber van. „Het is een somberheid die ik liever niet heb, ik ken wel mensen die hun leven daar helemaal door laten kleuren.”

„Blijf dingen opmerken en die grappig vinden”

Dan praat je alleen nog maar vanuit machteloosheid.

„Ik vind heel erg dat je dat niet moet doen. Ik vind dat je toch wel een beetje om je heen moet blijven kijken en dingen opmerken en die grappig vinden. Bijvoorbeeld als je een eerste gesprekje met een kleinzoon hebt over de telefoon. Een écht gesprekje. Dat is nieuw.”

Is het belangrijk dat iets nieuw is?

„Het hakt er dan in. Er is niet een reactie die al klaar ligt.”

Bij hem niet?

„Bij mij ook niet. Dus het roept niet meteen een al vertrouwde beschouwingswijze op. Dat maakt dat je niet meteen al in een automatisch nu bent. Dat is leuk.”

Vind je het nu vaak automatisch?

„Nu ja, enerzijds vind ik het wel prettig om een op- en uitgebouwde smaak te hebben, zodat je snel beslissingen kunt nemen over waar je je wel en niet mee bezig wilt houden. Aan de andere kant is de nieuwsgierigheid van toen je twaalf was of vijftien of zes gewoon weg. Dat is ontzettend jammer. De betrekkelijke on-egocentriciteit waarmee je toen dacht en alles dwars door elkaar las. Ik heb weleens een stuk geschreven over lezen op die leeftijd…”

Over de jaloezie op de jongere lezer die je ooit bent geweest…

„Dat je denkt: had ik maar nooit smaak gekregen. Was ik maar nooit gaan schiften.”

Maar zo kan je niet leven.

„Nee. Iedereen die aanvankelijk van alles zou kunnen zijn en worden, wordt een steeds omschrevener iemand. En dat is op zichzelf niet iets om ‘nee’ tegen te zeggen. Ik heb trouwens niet zoveel illusies over wie je allemaal zou kunnen zijn hoor. Al die nogal denkbeeldige vrijheid die je zou hebben om wie dan ook te zijn… Ik ben geneigd om dat een absurditeit te vinden.”

Want je ziet jezelf veel meer als bepaald?

„Ja ik denk het wel. Je bent natuurlijk een klein beetje een zelfbepaler, maar dan toch voornamelijk door je lotgevallen te volgen en daar iets van op te steken, zo mogelijk.”

Lees ook het opiniestuk van Cody Delistraty: Geluk najagen maakt ongelukkig

Als hij zou weten dat hij nog tien ongestoorde jaren zou hebben, zegt hij, dan zou hij „misschien nog wel wat resolutere plannen maken dan nu ik dat niet weet”. Plannen voor boeken. „Schrijven is, in elk geval als het een beetje lukt, een heel erg fijne bezigheid.”

Hoe belangrijk is de taal daarbij?

„Die is van wezenlijk belang. De taal is niet een simpel instrument, de taal is waarin het moet gebeuren. Ik heb een ontzettende hekel aan zinnen die uitsluitend als een boodschappentas fungeren. Die moet je tot het uiterste zien te vermijden.”

Maar ondanks de vreugde die het goed-schrijven biedt, het goed-aan-het-werk-zijn, schrijft de schrijver ook vaak niet.

Foto Frank Ruiter
Foto Frank Ruiter
Foto’s Frank Ruiter

„Dan voel je je echt een nietsnut, iemand die het niet moet wágen om te zeggen dat-ie schrijver is, want hij schrijft helemaal niet. Ik ben een geweldig bekwame ontloper. Ik ben op het ogenblik flink aan het archiveren, en dan kom ik allerlei onafgemaakte dingen tegen waarvan ik denk: man had dóórgeschreven.”

„Probeer iets. Durf te mislukken”

En waarom heb je dat dan niet gedaan?

„Omdat ik dan toch niet echt gedurfd heb.”

Wat moet je durven?

„Je plan te gaan uitproberen, inclusief de mogelijkheid tot mislukking. Vroeger, met de typemachine, schreef ik een zin op en begon dan ‘nee’ te schudden. Ik ben ook wel een niet-durver, ben ik bang.”

Waar schrik je dan voor terug?

„De bekende gevoelens: het wordt niks, het is niks, het is nooit wat geweest. De zelfdepreciatie. Je kunt nog zo denken: ik heb toch wel het een en ander geschreven dat sommige mensen wier mening ik hoogschat echt mooi hebben gevonden – maar dat helpt niet.”

Wat helpt wel?

„De confrontatie aan te gaan. Als ik begin met te denken: ik doe het straks, dan wordt het niets. Als je het nú doet, dan krijg je iets te zien.”

Een voorbeeld van iets proberen, was bijvoorbeeld zijn plan om te beschrijven hoe Van Oldenbarnevelt op de dag dat Willem van Oranje vermoord werd, van Rotterdam waar hij woonde, naar Delft reed, te paard. De raadspensionaris zit gedurende het hele boek gevangen, dus hij zou zich dat herinneren.

Kaart erbij gepakt, nagegaan wat de route geweest zou zijn, zich voorgenomen om die zelf op de fiets af te leggen. Beschrijvingen van wat Van Oldenbarnevelt dan zag en hoorde onderweg, zijn landerijen, het kraken van zijn zadel.

Lees ook: ‘Het is een grote misvatting dat je jezelf gelukkig kunt maken’

„Ik had ook allerlei leuke scènetjes geschreven over mensen die hem in Delft inlichten over wat er gebeurd is. Maar op een gegeven moment zie je in dat het totale onzin is, want hij zit gevangen. Hij ís helemaal niet daar op zijn paard. Van de film ben je gewend dat elk verleden ongeveer als nú is, dat is de grote falsificatie, ook van een heleboel romans. Een stuk ‘nu’ wordt zomaar ergens ingeplakt, terwijl het dertig jaar geleden is, vijftig jaar, of tien jaar. Ik ben ervan overtuigd dat niemand, ook niet de mensen met geheugens die ik bewonder, op die manier in z’n verleden kan rondstappen. Dat is gewoon onzin.

„Dit vertel ik alleen maar om, mijzelf ook, voor de zoveelste keer, duidelijk te maken dat je dingen moet proberen. En dat je op een gegeven moment vanzelf wel merkt of het ergens op slaat of niet.”