Dit is hoe racisme je leven tekent

Lees de verrijkte versie van dit artikel hier.

‘Ik was een attractie’

Romi Felter (64), Amsterdam, bewindvoerder

„Ik kwam van Suriname naar Nederland toen ik elf was. Toen, in de jaren zestig, was ik een attractie. Mensen veegden over mijn arm om te kijken of ik afgaf.”

„Rond mijn dertigste ben ik gescheiden en ontmoette ik een advocaat. Ik vond haar werk interessant en vroeg welke opleiding ze had gedaan. Ze zei: ‘Doe geen moeite, een universitaire studie is te hoog gegrepen voor jou.’ Dat voelde als een klap in mijn gezicht met een vieze vaatdoek. Maar ik dacht ook: ik zal jou laten zien dat ik in de universitaire banken kan zitten.”

„Ik ging van mbo, naar hbo, naar de universiteit. Kleine stapjes, maar ik ben er wel gekomen.”

„Mijn vader zei altijd: ‘When you are white, you are always right. When you are brown, you can stick around. When you are black, you will always stay back.’ Het heeft mij gemotiveerd om het tegendeel te bewijzen.” (CV)

‘Jarenlang wuifde ik het weg’

Dewi Boetius, 36, Hoofddorp, nagelstylist

„Ik ben opgegroeid met een vader die zei: ‘Je bent donker, dus je moet harder werken om hetzelfde te bereiken als een blanke’. Dat mijn vader me opvoedde met allerlei waarschuwingen vond ik overdreven. Niemand zei ooit tegen me: jij bent zwart dus je bent dom. Maar het gaat om de kleine dingen die anders zijn omdat je zwart bent. Toen ik een paar jaar geleden met mijn neefjes in de tram stapte, drukten mensen hun tas steviger tegen zich aan. Jarenlang heb ik dat soort dingen weggewuifd, gedaan alsof het normaal is en gedacht dat mensen het vast niet zo bedoelen. Maar door de opstand van nu en door alle verhalen realiseer ik me dat het niet normaal is. En besef ik dat ik een muur om me heen heb gebouwd om me comfortabel te voelen in ongemakkelijke situaties.”

„Ik worstel met wat ik mijn kinderen meegeef – ga ik ze uitleggen dat deze maatschappij lastiger is voor hen en voed ik ze dan op met het besef dat ze verschillend zijn? Of zeg ik er niks over en moet ik erop vertrouwen dat ze niet huilend thuiskomen door een opmerking over hun kleur? Ik ben half Moluks, half Surinaams en hartstikke trots op waar ik vandaan kom, dus dat wil ik ze zeker wel meegeven.” (CV)

‘Ik merk het aan kleine dingen’

Marscha Marescia, 37, Amstelveen, hockeyer

„In 2008 kwam ik naar Nederland om te hockeyen. In Zuid-Afrika moest ik me op het veld altijd extra bewijzen. Voor nationale sportteams gold toen een quotum, om integratie te forceren moest elk team een bepaald aantal spelers van kleur hebben. Ouders langs de kant hoorde ik zeggen: ‘Zij zit alleen maar in dit team vanwege haar huidskleur.’ Dat voelde rot, ze negeerden dat ik een mens ben, en dat ik keihard werkte om sportprestaties te leveren.”

„In Nederland heb ik op het sportveld nooit commentaar gekregen op mijn huidskleur. Ik merk het wel in het dagelijks leven, op straat, in kleine dingen. Als ik in de supermarkt een oudere dame mijn hulp aanbied, reageert ze verbaasd. Of ze zegt: ‘Nee hoeft niet’ en vraagt vlak daarna een witte voorbijganger om iets voor haar uit de koeling te pakken.”

„Mensen denken vaak dat ik het fijn vind als ze zeggen dat ze geen kleur zien. Maar dat wil ik juist niet. Ik wil dat iemand zíét dat ik anders ben, dat ik kroeshaar heb en een andere achtergrond, en me vervolgens niet anders behandelt.” (CV)

‘Of ik taakstraf had, vroeg de man’

Lloyd Terborg (53), Enschede, bestiert een centrum voor dagbesteding.

„Vorige maand was ik op het weiland bij ons huis het gras aan het maaien. Een voorbijganger sprak me aan. Of ik een taakstraf had ofzo, dat ik hier bezig was? En toen ik laatst met carnaval wat jongens op mijn land op wildplassen betrapte: ‘Wah-moet-dah dan? Ga terug naar je eigen land.’

Het verdrietige is: dit soort dingen overkomen me nu vaker dan vroeger. Misschien wel omdat zwart en wit elkaar steeds meer tegenkomt. Op straat en online. Onlangs kreeg ik op Facebook zelfs te maken met racisme in mijn eigen gemeenschap. Omdat ik een witte vriendin heb zou ik ‘heulen met de vijand’. Sinds we samen zijn – zo’n zeven jaar nu – valt het ons allebei op: de wereld kijkt anders naar mij dan naar haar. Ik noem haar mijn ‘white guardian’ – alleen met haar voel ik me op straat echt veilig.”

‘Ik ben me gaan aanpassen’

Nana Scholten (35), Wilp, kindercoach in opleiding.

„Hoe het is om zwart in Nederland te zijn – volgens mij als enige in mijn dorp– kan ik bijna niet uitleggen. Je moet het ervaren. Hoe iedereen op het terras opkijkt wanneer je met je gezin gaat zitten om koffie te drinken. Dat in de supermarkt vijf man naar je zitten te kijken of je niet iets meeneemt. Of dat een hulpverlener je agressief noemt omdat je – zoals veel Afrikaanse vrouwen – een luide stem hebt.”

„Het zit ’m in duizend van dit soort verhaaltjes. En onbedoeld ben ik me daarom gaan aanpassen.”

„Zo heb ik natuurlijk ook een Afrikaanse naam (ze kwam tien jaar geleden voor de liefde uit Ghana naar Nederland, red.), die ik hier niet wil noemen. Maar wanneer ik met de gemeente mail of solliciteer als mevrouw Scholten – de naam van mijn ex – krijg ik meteen antwoord. Als ik mijn eigen naam gebruik, moet ik dagen wachten. Áls ik al iets hoor. Eigenlijk moeten naam of kleur niets uitmaken. We zijn toch allemaal mensen?”

‘De agent pikte mij eruit’

Yanick Vedder (27), Zwolle, student journalistiek.

„Als enige getinte jongen met een stevige bos dreadlocks was ik vanaf groep drie ineens ‘Betty Spaghetti’. Of werd ik ‘baviaan’ of ‘aap’ genoemd. ‘Mijn kind zou zoiets nóóit zeggen’, zeiden hun ouders als mijn moeder hen erop aansprak.”

„Aan het begin van de tweede klas schoor ik mijn dreadlocks af, in de hoop dat ik minder zou opvallen. Maar toen ik die winter met kort kroeshaar rondliep werden de opmerkingen alleen maar erger.”

„Op mijn vijftiende fietste ik met wat vrienden door een tunnel. Ik had als enige licht op mijn fiets, maar de agent die daar controleerde pikte míj eruit. Hoe ik aan zo’n mooie fiets kwam, wilde hij weten.”

„Mijn adoptievader noemde me een gewone Nederlandse jongen in een tropische verpakking. Helaas kunnen veel mensen kennelijk niet voorbij die verpakking kijken.”