Recensie

Recensie Beeldende kunst

Zilver om mee te pronken

In het Delftse Museum Prinsenhof weerspiegelen tachtig topstukken van zilversmeedkunst de luxe van de zeventiende en achttiende eeuw, met soms een ongemakkelijke boodschap.

Adriaen Claesz de Grebber, Twee zoutvaten (1623)
Adriaen Claesz de Grebber, Twee zoutvaten (1623) Foto Museum Prinsenhof, Delft

Trots op de multitool; het is iets van alle tijden. Natuurlijk worden lang niet alle toepassingen in het stuk gereedschap dagelijks gebruikt, maar het is een genot je te verwonderen over het vernuftige ontwerp. Uit de achttiende eeuw stamt een verrassend vergelijkbaar gerei, dat een pijpenrager in één scharnierende handgreep combineert met benodigdheden voor de persoonlijke hygiëne, zoals een oorlepeltje en een tongschraper. Ook hier is het moeilijk te geloven dat alle onderdelen vaak zijn gebruikt. Temeer daar het voorwerp is gemaakt van zilver.

Markt voor luxe

Het kleinood maakt deel uit van een tentoonstelling in Museum Prinsenhof van zo’n tachtig zilveren topstukken uit het Delft van de zeventiende en achttiende eeuw, de bloeitijd van edelsmeedkunst in die stad. In de periode na de dood van Willem van Oranje, die vaak in Delft verbleef tot hij er in 1584 werd vermoord, ontwikkelde zich een markt voor luxueuze voorwerpen ter opluistering van de dis, en voor gebruik in boudoir, rookkamer of theesalon. Tegelijk met de expositie verschijnt een zeshonderd pagina’s dik en fraai geïllustreerd boek van Pieter Biesboer (uitg. Waanders) over de praktijk van de Delftse zilversmeden.

Omstreeks 1600 behoorden zij tot de beste kunstenaars op hun gebied. Prachtige staaltjes van zilversmeedkunst met angstaanjagende monsterkoppen en zee-ornament, omvatten zeldzame nautilusschelpen. Andere indrukwekkende tafel- en conversatiestukken zijn twee verguld zilveren drinkschalen die Nicolaes Adriaensz de Grebber in 1604-1606 voorzag van verbluffend gedetailleerd drijfwerk met voorstellingen van allegorieën van respectievelijk de vier seizoenen en de vier elementen. Strakkere vormen kennen echte gebruiksvoorwerpen zoals wijnkoelers, tabakspotten en de doosjes, borstels en kandelaars uit het grote toiletservies dat de familie Van Slingelandt meezeulde bij verplaatsingen van de residentie in de stad naar het buitenverblijf aan de Schie.

Parmantig duo

De expositie vestigt de aandacht op het systeem van uitbuiting overzee die het laten vervaardigen van zilveren pronkstukken in de Republiek mogelijk maakte. In dat licht valt een duo ongeveer twintig centimeter hoge, zilveren mannen op. Met ontbloot bovenlijf, een pijlenkoker aan de schouder en een verentooi op het hoofd, presenteren zij parmantig ieder een zoutschaaltje (1623). Ze worden simpelweg aangeduid als ‘figuren met een hoofdtooi’; een summiere omschrijving die voorbij gaat aan wat het boek van Biesboer wel beschrijft: de twee gedienstige ‘moren’ verwijzen naar de handel in Afrikaanse slaven zoals die werd bedreven door de West-Indische Compagnie. Die opende, toevallig of niet, precies in het jaar waarin de werken werden vervaardigd, een filiaal in Delft.