Recensie

Recensie Boeken

‘Die kut-yogi’s willen allemaal leeg zijn’

Twee boeken over de toekomst In 2050 zijn mensen fit, positief ingesteld, emotiearm en willoos. En compleet vergroeid met het algoritme.

Illustratie: Anne van Wieren

‘Jullie zien het gewoon niet. Achter al die afleiding, achter al die illusies die jullie doen geloven dat het leven elders is dan waar het plaatsvindt, worden jullie gewogen en geteld, in categorieën ingedeeld. Gecodeerd, geregistreerd, gemanipuleerd.” Hij keek meewarig de zaal in. „Een code. Dat is wat jullie zijn, niet meer dan een code.”’

Een verlopen outcast richt zich rond het jaar 2050 tot een jong publiek. Een publiek dat zich zonder uitzondering door het leven laat gidsen door Gena, een operating system, een geavanceerde versie van Siri of Alexa, een persoonlijke assistent die op alle vragen een antwoord heeft en op ieder moment van de dag aanspreekbaar is. De mens is, in de debuutroman De onvolmaakten van Ewoud Kieft, vergroeid met dit alwetend en sturend algoritme, zozeer dat ‘ie er nagenoeg mee samenvalt’. Gena heeft zich naadloos aan het lichaam aangepast; via oortjes instrueert Gena haar gebruikers, de gebruiker mompelt terug; het scherm is geïntegreerd in een contactlens.

In De onvolmaakten wordt het levensverhaal van Casimir Zeban, ‘Cas’, een zoekende dertiger met bindingsangst, verteld door diens Gena. Zij is onderdeel van Cas’ leven sinds zijn vroege puberteit, en weet dingen van hem die anderen alleen aan een dagboek toevertrouwen, en meer. Als hoogontwikkelde AI groeide Gena met Cas mee, weet zij hoe hij zal reageren op bepaalde woorden en situaties, hoe hij zich voelt, door wat hij zegt, door hoe hij zich beweegt, maar ook door zijn hartslag, zijn hormoonspiegel, zijn lichaamstemperatuur. Nooit was een verteller zó alwetend, op het belerende af, als Gena in De onvolmaakten.

Alcohol-quotum

De dystopie van historicus Kieft (1977) – eerder publiceerde hij onder meer Oorlogsenthousiasme (2015) over de aanloop naar WOI en Het verboden boek (2017), over Mein Kampf – is zo joyeus uitgetekend dat je er ongemerkt, onnozel bijna, in wordt meegevoerd. Ook de mens in De onvolmaakten heeft veel van zijn kritisch vermogen verloren. Door de constante dialoog met Gena weet het algoritme zo te sturen dat de burger van de toekomst precies doet wat de overkoepelende instantie – het ‘Conglomeraat’, een soort techgigant en inlichtingendienst ineen – wil.

Die mens van de toekomst is vooral gezond en willoos, want Gena monitort en rapporteert, moedigt aan tot lichaamsbeweging en meditatie, maakt afspraken met de dokter, bestelt de boodschappen en organiseert afspraakjes met niet al te botsende karakters die gladjes zullen verlopen. Waar de mens nog goed voor is blijft de vraag in De onvolmaakten; werk is geautomatiseerd, iedereen krijgt een soort basisinkomen, mensen slijten hun levens fit, positief ingesteld, pijnloos en emotiearm, kortom, gericht op een ervaring van groot comfort.

De wereld zal schilderachtig desolaat zijn in 2050, volgens de fictie van Kieft. Vlees wordt gekweekt in grote silo’s en is minimaal verkrijgbaar. Op alcohol zit een quotum. Energie wordt opgewekt in kernreactoren, dijken moeten steeds worden opgehoogd om een almaar lauwere zee buiten te houden. De stad is niettemin overwoekerd met ‘het groen dat het tij had moeten keren; sedum en heesters op de daken, hortensia’s en druivenplanten langs de gevels, cornus op de relingen en binnenplaatsen, en de brede, dichtbebladerde kruinen van de platanen die de straten en parken en pleinen beschutten tegen verzengend zonlicht en plotselinge stortregens’ – Kiefts Gena heeft zo haar lyrische momenten.

Illegale kaas

In Kiefts roman is er nog een handjevol mensen over dat zich verzet tegen het systeem, dat zich heeft ‘ontkoppeld’, dat niet in de ban is van het transhumanisme en buiten het oog van de instanties onbekommerd oud wordt – de onvolmaakten. Cas ontmoet een van hen, Tobias, en begint zijn door Gena gedicteerde leven te wantrouwen. Tobias neemt Cas mee naar souterrains waar clandestien nog écht vlees wordt gebraden (‘kelderbraderijen’) en naar schimmige zaakjes waar kaas wordt verkocht. Cas proeft er Munster, door Kieft zinnelijk beschreven als ‘mestig […] alsof hij aan de modderige uier van een koe sabbelde, waar nog resten van haar excrementen aan kleefden’. Tobias bestookt Casimir met teksten en Nietzsche-citaten, onder meer uit Der Fall Wagner (1888) ‘over de decadentie’ van het moderne leven, ‘het verarmde leven, de wil tot het einde, de grote moeheid.’

Illustratie: Anne van Wieren

In zulke passages manifesteert de cultuurkritiek die Kieft voor zijn toekomstroman extrapoleerde zich wel erg nadrukkelijk. Die voelt elders vanzelfsprekender, zoals in de symbiotische relatie tussen Gena en Cas. Mensen op straat lijken immers nu al in zichzelf te praten als ze zich richten tot draadloze oortjes, smartphones houden lichaamsbeweging bij, nopen zo nodig tot méér, geven desgewenst updates over hormooncycli of hartslag. Techgiganten monitoren iedere muisklik, elk vinkje, hartje, traantje, registreren aarzeling bij een bericht, foto of aankoop. Tegen het eind van het boek briest Casimir: ‘„Zoals al die kut-yogi’s willen. Die willen allemaal leeg zijn. Onthecht!” Hij spreidde zijn handen. „Oooo, kijk naar mij, ik heb alles afgepeld! Mijn energieveld gezuiverd!” Luidkeels klonk zijn lach in de nacht.’

Plat op LinkedIn

‘Stilzitten’, begint Miriam Rasch haar boek Frictie, ‘lijkt het enige wat rest. Zodra ik beweeg beginnen apparaten, apps en algoritmes te snorren. Ik blijk te produceren. Data.’

Over de ook nu al dwingende tendens om de mens tot data te reduceren schreef essayiste Rasch het geestverruimend veelkantige Frictie. Ethiek in tijden van dataïsme.

Rasch is onderzoeker bij het Instituut voor Netwerkcultuur van de Hogeschool van Amsterdam en publiceerde eerder de essaybundel Zwemmen in de oceaan. Berichten uit een postdigitale wereld (2017). In Frictie volgt Rasch behoedzaam het spoor van haar eigen dataficering. Facebook vertelt haar dat ze in de categorieën valt van ‘Lowlands’, ‘filosoof’, ‘boekhandel’, iets met dieren, ‘kermis’, ‘knoop’, ‘fotorolletje’. Haar Google-profiel hecht vooral waarde aan Rasch’ activiteit op LinkedIn, Facebook, Amazon en andere webshops die haar boek verkopen. Haar digitale zelfportret, concludeert Rasch, is een uitgeklede, platgeslagen, commerciële versie van haarzelf.

In de toekomst speelt de mens geen rol meer, schrijft Maxim Februari in zijn column. Lees ook: De mens is maar één van de vele intelligenties

Wat zou het, kun je denken, dat ‘internet’ er een eenzijdig beeld op nahoudt - maar dat ‘internet’ is niet langer een andere wereld. De dataficering, het dwangmatige kwantificeren, formaliseren, en calculeren, laat zijn sporen achter in de ‘werkelijkheid’.

Fetisj

En data mogen de schijn hebben objectief te zijn, ze zijn het niet. Rasch: ‘Ze liggen niet klaar om opgeraapt te worden, zoals kiezelstenen of schelpen, sprokkelhout of kievietseieren […].’ Ze worden geproduceerd door de apparaten en apps die daartoe zijn ontworpen, en hebben alleen betekenis in een oceaan van gelijkvormige data.

Cijfertjesfetisjisten waren er door de geschiedenis heen. Maar de werkelijke datahonger begint, beschrijft Rasch, in de vroege negentiende eeuw met de opkomst van de statistiek. Het tellen en het classificeren was een manier om groeiende populaties in beeld te brengen, voorspellingen te doen, te controleren en te besturen. Nu wordt er gecontroleerd en voorspeld met de berg digitaal geproduceerde data. Rasch schrijft: ‘Het scepticisme is verdwenen, data gelden ondubbelzinnig als de universele code waarin alles te vertalen is; dat ze op die manier de wereld voorspelbaar maken en onder controle brengen staat buiten kijf; dat algoritmes die data verwerken daarom beter beslissingen nemen dan de mens en dat we die beslissingen daarom moeten uitbesteden is evident.’

Het is bovendien de natte droom van techutopisten, zoals ook die in Kiefts roman, dat politiek overbodig wordt zodra technologie alles kan ordenen en voorspellen. Als de databerg het algoritme nagenoeg alwetend maakt, waarom dan nog verkiezingen uitschrijven voor gebrekkig geïnformeerde burgers?

Alcoholische incels

Maar die alwetendheid betekent ook het einde van de vrijheid. Rasch komt met Simone de Beauvoirs Pleidooi voor een moraal der dubbelzinnigheid. Ethiek, argumenteert De Beauvoir daarin, kan alleen bestaan als er ook de mogelijkheid is dat je miskleunt. ‘Zonder mislukking geen moraal’, schrijft De Beauvoir. ‘Alwetend’, schrijft Rasch, zouden we ‘nooit meer een verkeerde keus hoeven maken, nooit meer verantwoordelijk […] hoeven zijn voor een tragische uitkomst, voor de pijn van onszelf of van een ander.’

Als eenmaal de verantwoordelijkheid is ingeleverd bij de alwetende algoritmen met hun datasets is het leven eenvoudig, misschien wel comfortabel, ook als er niet veel te kiezen valt. Maar Rasch wil de vrijheid houden iets te riskeren, te mislukken zelfs. Rasch: ‘Een leven ‘afgeslepen als een kiezelsteen, zoals Kierkegaard schrijft, is misschien makkelijk en moeiteloos, het is ook niet meer dan een slap aftreksel van wat het had kunnen zijn.’

Disciplineer het lichaam, en een weerbare geest volgt vanzelf, is de boodschap van een reeks populaire boeken – vooral bij mannen. Waarom zijn die boeken nu zo in de mode? Lees ook: ‘Mensen leven als zombies, op 40 procent van hun kunnen’

Ook Casimir in De onvolmaakten zoekt naar kieren in het systeem die hem vrijheid zouden kunnen verschaffen. De beweging van ‘de ontkoppelden’ of ‘de onvolmaakten’ lijkt hem die aanvankelijk te bieden – maar hun vrijheid is een verschraalde variant. Volgens het verslag van Gena is het een groepje alcoholische anarchisten dat joelend een varken aan het spit rijgt, samengesteld uit eenzame gameverslaafden die problemen met vrouwen hebben. Een soort incels dus, die nu alt-right blogs volschrijven. De retoriek van de frontmannen van die onvolmaakten-beweging lijkt ook op die van de reactionaire romantici uit die kringen: ‘Wanneer zijn we opgehouden trots te zijn? Heersers? Wie heeft ons overgehaald, gedwongen om schapen te worden? Onze instincten te onderdrukken, in een dwangbuis te leven, onszelf genot te ontzeggen?’ En elders lijkt die weer meer op die van corona-sceptici: ‘We zijn mensen. We gaan dood.’

Onbetrouwbare mensen

Dat de onvolmaakten zo weinig te bieden hebben is een ongebruikelijke en onverwachte wending in Kiefts roman. In klassieke dystopieën als die van George Orwell of Jevgeni Zamjatin is er tenslotte vaak een ‘waarheid’ die het waard is na te streven; dat Kieft die niet biedt maakt van De onvolmaakten in zekere zin een postmoderne dystopie. En dat een overtuigende alternatieve levenswijze voor het positivistische, datagedreven leven uiteindelijk ontbreekt, maakt de toekomstschets in De onvolmaakten ook beklemmender. Maar Rasch’ poëtische werk laat zien dat ‘frictie’, of het echec waar De Beauvoir het over heeft, niet direct in een ode aan het verval hoeft te ontaarden, of een lofzang op de dood (immers de grootste mislukking van allemaal).

Tegelijkertijd houdt Gena’s onderkoelde verslag Cas teveel op afstand. Over ‘mensen’ zegt Gena op de eerste bladzijde van De onvolmaakten geweldig laconiek: ‘Allemaal zijn ze onbetrouwbaar, op hun eigen manier, allemaal verdraaien ze hun herinneringen. Dat is onvermijdelijk. Als je die eigenschap van ze weg zou nemen, verander je hun hele karakter, hun hele functioneren. Om de wereld aan te kunnen, moeten ze die telkens opnieuw bevattelijk maken.’ Iets meer van die al te menselijke onbetrouwbaarheid, meer onvermogen dat met grillige fantasie wordt ingevuld en minder algoritmische alwetendheid had Kiefts roman dramatisch interessanter gemaakt. Niet voor niets wijst Heidegger er ergens op dat de herinnering de moeder aller muzen is. Maar Gena is uiteindelijk onverschillig voor Casimirs vergankelijkheid – en het lijkt haar ook niet te deren dat ook haar leven, of moet je zeggen ‘houdbaarheid’, erop zit nu zij van haar gastheer Casimir is losgekoppeld – ze blijft wat onthecht.