De buitenkunst vind je gewoon op de stoep

De stoep Nederland is rijk aan beelden in de buitenruimte, weet Wim Pijbes. Deze keer: stoeppalen en stoephekken, ze bestaan nog.

Architect onbekend, 1751, Nieuwe Herengracht 103, Amsterdam
Architect onbekend, 1751, Nieuwe Herengracht 103, Amsterdam Foto A.Bakker/Wikimedia Commons

We staan er niet bij stil omdat we meestal doorlopen: de stoep. Wie in onze binnensteden wél eens stil zou staan bij al het moois dat achteloos de grens tussen publiek en privaat markeert, komt ongekende staaltjes sculpturaal smeedwerk en gebeeldhouwde ornamenten tegen. Een lust voor het oog voor de stadswandelaar die zich even de tijd gunt.

Het is tegenwoordig uitkijken op de stoep, nu de terrassen ongebreideld oprukken en we allemaal wettelijk verplicht afstand moeten houden. Lang geleden zou dat geen enkel probleem hebben opgeleverd: de stoep bestond toen eenvoudig niet. Alles en iedereen bewoog zich gepast langs elkaar heen. Pas met de opkomst van de auto ontstond gaandeweg de twintigste eeuw overal een duidelijke scheiding tussen voetgangers en ander verkeer.

De stoep, oorspronkelijk afgeleid van ‘stappen’, duidt op een verhoging aan de voorgevel van woningen. De particuliere stoep onderscheidde zich zo van de straat. Trottoir overigens is afgeleid van het Franse wandelen. Beide begrippen worden tegenwoordig door elkaar gebruikt.

De stoepruimte is steeds minder privaat domein: vanwege het toenemende gemotoriseerde verkeer pikten lokale overheden overal in onze historische binnensteden de privéstoep in, om ruimte te creëren voor de auto. Vaak ging dit ten koste van prachtige stoeppalen en stoephekken.

In Leeuwarden betaalde de gemeente in de jaren twintig nog een rijksdaalder per meter, in Dordrecht werden stoepeigenaren gemaand de private stoep kosteloos af te staan: „Deze hekken en stoepen mogen op zich zelf genomen tot verfraaiing van de voorgevel van een woning bijdragen en in vervlogen perioden met minder intens verkeer geen hinder hebben veroorzaakt, in de tegenwoordigen tijd is dat heel anders geworden. Thans zijn dergelijke stoepen en hekken veelal evenzoovele verkeersbelemmeringen en sta-in-den-weg’s.”

Daniël Marot, Huis Huguetan, 1734, Lange Voorhout Den Haag Foto David van Dam

Gelukkig is de waardering voor de wandelaar aan het terugkeren. Het besef dat de auto onevenredig veel ruimtebeslag doet op de beperkte binnensteden, het gedrang op de fietspaden, de bakfietsen, scooters en segways; overal raakte de voetganger in het gedrang.

Dat tij lijkt nu gekeerd. De wandelaar eist de stoep terug: om te wandelen, te slenteren, halt te houden voor een praatje, te ontmoeten en ja, ook om elkaar te ontwijken. En natuurlijk om eens omhoog of opzij te kijken en te genieten.

Het is aan erfgoedorganisaties (en halsstarrige particulieren) te danken dat er nog een aantal puike ensembles te genieten is, die een indruk geven van het authentieke straatbeeld, zoals de Groenmarkt in Dordrecht, de Nieuwe Haven in Schiedam, gedeelten van de grachtengordel in Amsterdam en het Lange Voorhout in Den Haag. Daar, op nummer 34, ontluikt de rococo: smeuïg smeedijzer, welgevormd hardsteen, een royaal gedecoreerde entree met betoverend bovenlicht afgemaakt met beelden en een balustrade in Louis XV-stijl. Het rijkelijk versierde hekwerk en de imposante stoep stralen rijkdom en goede smaak uit.

Groenmarkt, Dordrecht Foto Betty Akkemaai/Wikimedia Commons

Vanaf de straat is niet te zien hoe deze verfijnde franjes en krullen zich doorzetten in het interieur, het stucwerk, de trap, het serviesgoed, de jurken, de conversaties, in alles. De Amsterdamse bankiersdochter Adrienne Marguerite Huguetan gaf de uit Frankrijk uitgeweken Hugenoot Daniël Marot opdracht een voornaam staatspaleis te ontwerpen waarbij kosten noch moeite werden gespaard en de rijkdom zich tot op straat tentoonspreidde.

Et voilà: hier raakt Nederland aan de zwier. Dat zouden ze in Den Haag wat vaker moeten doen.