Rups

Amsterdamse beestjes

Stadsecoloog schrijft op gezette tijden over de dieren en vogels van Amsterdam.
Foto Remco Daalder

Er loopt een monster in het Twiske. Het Twiske, dat zijn rietvelden, moerasbossen, populieren, wilgen, grasdijkjes, steenslagpaden. En op zo’n pad dan het monster. Een dikke rups van een decimeter lang. Donkerrood van boven, geel aan de zijkanten, een zwarte kop. Aan alle kanten straalt hij uit: blijf van mij af, ik kan van mij afbijten. En dat kan hij ook. Het is een wilgenhoutrups. Die eet in zijn leven alleen maar hout. Wie door hout heen kan bijten kan ook in een vinger bijten.

We wandelen veel in het Twiske. Dit is de eerste wilgenhoutrups die we daar zien. Terwijl het een soort is die rond Amsterdam algemeen voorkomt, volgens de Vlinderstichting. Kijken we te veel omhoog, op zoek naar vogels? Hebben we in al die jaren horden wilgenhoutrupsen ongezien laten passeren? Een zoektocht op internet leert dat dit niet het geval is. „Als rups krijgen we hem eigenlijk nooit te zien”, schrijft boomtechnisch adviseur Simen Brunia. Dat komt door zijn levenswijze. De volwassen vlinder zet zijn eitjes af in zachte, aangetaste delen van bomen. De rupsen die uit de eitjes komen vreten een gang in het hout, een gang die twee centimeter breed kan zijn en tientallen centimeters lang. Die gang is de komende twee tot vier jaar hun huis. Hun leven bestaat in die jaren uit hout eten en azijnzuur afscheiden om dat hout weker te maken, zodat ze het beter op kunnen eten. Dat is het. Nooit daglicht, geen andere rupsen om zich heen. Vier jaar lang in je eentje steeds maar hetzelfde hout eten in een donker hol waar je maar net in past, omgeven door azijndampen.

Het grote voordeel van die vrijwillige quarantaine is dat je behoorlijk veilig zit. Een heel doortastende specht beitelt nog weleens een rups uit zijn hol. Verder heb je alleen nog wat te duchten van boomtechnisch adviseurs die willen voorkomen dat je de boom waar je in huist doodmaakt. Maar die adviseurs heb je in het Twiske niet, daar mag een boom best sterven.

En dan. Na jarenlang hout eten ga je verpoppen. De meeste doen dat in hun gang, een enkeling verlaat om voor ons duistere redenen zijn hol en gaat op zoek naar een andere plek. En die wordt dan gezien door toevallig passerende biologen. Uit de pop komt een grote nachtvlinder, spanwijdte 10 centimeter, een vlinder die geen roltong heeft en dus niet kan eten. Na de jarenlange isolatie volgt geen glorieuze verkenning van de wijde wereld, maar een haastige zoektocht naar een andere vlinder om mee te paren, waarna het vrouwtje weer heel snel eieren af moet gaan zetten. Na een paar dagen is het meestal alweer gebeurd met de vlinder.

Het lijkt misschien niet veel, zo’n leventje, maar de rupsen zijn er vast heel tevreden mee. Ons exemplaar kiest zelfbewust zijn weg, van het pad af, door het gras, op weg naar een populier even verderop. Hij heeft een duidelijk doel in het leven.

Stadsecoloog schrijft op gezette tijden over de dieren en vogels van Amsterdam.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.