Opinie

Ja heb je

Ellen Deckwitz

Ondanks het feit dat mijn bijna honderdjarige oudoom Karel gelooft dat hij onsterfelijk is, durfde hij pas gisteren voor het eerst sinds de versoepeling bezoek te ontvangen en zo stonden we in zijn achtertuin, ik op zijn verzoek drie meter verderop want je weet het natuurlijk maar nooit. Na het afsteken van een monoloog over de juiste bereidingswijze van parelhoen vroeg hij hoe het eigenlijk met mij ging.

„Mwoa”, zei ik, „wat wiebelig door al die onheilsberichten over de economie. Het voelt alsof er boven elke zekerheid wel een guillotineblad hangt. Maak jij je geen zorgen om je pensioen?”

„Oh, nee, niet echt.”

„Kom op.”

„Ik heb me nog nooit zorgen gemaakt”, zegt Karel trots, „mijn geestverwant Renate Rubinstein verwoordde het ooit eens treffend in een van haar columns – weet je wie zij is?”

Ik knik, in het gemiddelde gesprek met Karel komt er altijd wel een citaat van Rubinstein voorbij (meestal een waarin ze gehakt maakt van links). Eens ging hij naar een lezing van haar en na afloop vroeg hij stotterend of ze met hem op de foto wilde. Zijn vrouw nam het kiekje en na ontwikkeling bleek dat mijn oom er prachtig op stond (inclusief zijn knalrode kop) maar dat zijn echtgenote slechts een kwart van Rubinstein (om precies te zijn haar rechterarm en haar rechterbeen) op de gevoelige plaat had weten vast te leggen. Mijn oudtante hield vol dat het per ongeluk was, maar met hun huwelijk is het nooit meer goed gekomen.

‘In een van haar columns”, zwijmelde Karel, „schreef ze dat ze door haar multiple sclerose zal aftakelen en dat ze niet weet hoelang ze nog zelfstandig kan blijven wonen. En dat juist die wetenschap ervoor zorgt dat ze opgewekt blijft.”

„Hoezo?”

Hij beende naar binnen en kwam terug met Rubinsteins verzamelde werk.

„Kijk, hier”, zei hij, de regel volgend met zijn wijsvinger, „je moet gewoon niet meer aan de toekomst denken: ‘Nee heb je. Alleen doordat ik daarvan doordrongen ben, heb ik het ja ontdekt dat nog te krijgen is… Dood ga je toch en kun je nog miljoenen jaren zijn. Elke pink die je intussen nog beweegt, is meegenomen.’”

Hij keek me triomfantelijk aan, alsof hij het zelf had geschreven en, toegegeven, het klinkt als een goede pleister voor gepieker. Gewoon op zoek gaan naar de ‘ja’, hoe klein ook. En in de tussentijd maar vergeten dat voor het overeind blijven van deze vergelijking je ervan uit moet gaan dat onze economie een degeneratieve ziekte is. Het was verontrustend hoe makkelijk ik daarin meeging, hoe goed ik die nacht sliep.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.