Recensie

Recensie Boeken

‘Ik had de pech dat er in de buurt een man woonde die me de bosjes in trok’

Bibi Dumon Tak Ze verloor haar zus aan kanker en mocht haar neefjes nooit meer zien. Dat autobiografische gegeven maakte Bibi Dumon Tak tot een woedende roman. (●●●●●)

Illustratie: Paul van der Steen

Er klinkt aanvankelijk nog iets gezelligs door in de woedende vervloekingen van de verteller, telkens wanneer zij de ex-man van haar zus ter sprake brengt. Hij is ‘de man wiens naam ik niet zal noemen’, à la Voldemort. Gevolgd door een verwensing: ‘moge de lucht die hij inademt bevolkt zijn met vliegjes’, ‘moge het springtij hem tweewekelijks overspoelen’ of ‘mogen de hoofdluizen van alle werelddelen zich vermenigvuldigen op zijn kruin’.

Niet heel gezellig natuurlijk, een kruin vol luis, maar wél creatief, die haast bijbelse bijstelling met een archaïsche aanvoegende wijs en steeds een nieuwe wens. De verteller lijkt er een woest genoegen in te scheppen.

Anna heet de verteller en ze heeft haar zus Lize verloren, aan kanker, en daarmee is ze ook haar neefjes kwijt. De ex van Lize heeft bepaald dat Anna de jongens, voor wie ze veel zorgde, nooit meer mag zien. Waarom? Daarom. Hij nam het leven als een nulsomspel – hij eiste ooit borstvoedingsbeurten op, anders was het oneerlijk, en het echtscheidingsconvenant voorzag in afspraken over kapbeurten en de daarbij te hanteren tondeusestand.

Waargebeurd

Dit is het verhaal van schrijfster Bibi Dumon Tak (1964), die auteur is van een gelauwerd kinderboekenoeuvre, maar ook een zus die iets vergelijkbaars meemaakte met haar neefjes, zoals ze twee jaar geleden in deze krant vertelde. Daar zou een roman van komen, na een oeuvre waarin de werkelijkheid telkens het uitgangspunt was, voornamelijk in non-fictie. Maar, zei ze, „ik moet het zo vertellen dat het voor anderen ook interessant is en waarde heeft”. Met De dag dat ik mijn naam veranderde is ze daarin buitengewoon geslaagd.

Want de roman draait vooral om wat die nog méér is dan een particuliere familiegeschiedenis – dat is de gedaante waarin de roman zich eerst hult, nog ogenschijnlijk conventioneel. Ze vertelt van jeugdherinneringen tot ziekteverloop, in scènes waarin idiosyncratische Dumon Tak-metaforen opduiken: een notaris is een ‘oorgier’, Anna was als meisje als ‘een vlieg’. Op het eerste gezicht zijn die beelden grappig, luchtig, in lijn met Dumon Taks kinderboeken, haar non-fictie over dieren: ze wist in de onooglijkste oorwurm nog iets aardigs te ontwaren. Nu gaat het andersom – daarover zo meer.

Aangespoelde sinaasappelen

Anna schetst in enkele scènes haar jeugd, de scheiding van haar ouders en hoe haar vader in een ‘akkerhuisje’ in Zeeland gaat wonen, wat avonturen oplevert, rolschaatsritjes hangend aan zijn bumper, ‘braadpandiners’ van Duyvis in ‘verschillende kleuren’, aangespoelde sinaasappels van het strand rapen en leegknijpen in je mond. Nadeel van die bandeloosheid: die keer dat Anna onder de douche vandaan kwam en haar oom vond dat-ie wel even mocht kijken.

‘Ik had de pech dat er in de buurt een man woonde die me de bosjes in trok’

Niet lang bij stilstaan, naar de gewoonte van haar zus. Groot was de doortastendheid van Lize, die slechthorend geboren werd, en voor achterlijk versleten. Maar ze weerstond alle verwachtingen (leerde spreken, klom via speciaal onderwijs door naar de universiteit). Intussen ontdekt Anna dat er voor haar ook barrières zijn: het leven van meisjes, voelt ze, is minder vrij en zorgeloos dan dat van jongens. Want: ‘Ik had het geluk dat ik een bermudajongenszwembroek zonder bovenstukje aan mocht naar het strand.’ En, de volgende zin: ‘Ik had de pech dat er in de buurt een man woonde die me de bosjes in trok voor handelingen die ik daarvoor nog niet kende.’

Giftig

Dumon Tak vertelt meeslepend door, over de ziekte waartegen Lize verbeten strijdt, over de bijzondere eer die vader in zijn curieuze familienaam stelt, ‘een beetje Nederlands en een beetje Frans’ – de jongens die hem kunnen doorgeven zijn de grote trots. De toon varieert van lyrisch melancholisch tot rauw en direct, wanneer ze zich rechtstreeks tot Lize wendt, tot onveranderd giftig als het over de man gaat wiens naam zij nog steeds niet noemt (‘mogen zijn botten samen met die van zijn voorvaderen verorberd worden door een horde wilde honden’), die trouwens thuis ‘naakte meisjes’ fotografeert, ja, maf hoor. Steeds duidelijker begint er zich een thema af te tekenen. Dan breekt die dag uit de titel aan – als Anna, na Lize’s dood, hoort dat neefjes Misha en Rémy toch niet helemáál uit de familie gerukt zijn: ze bezoeken hun grootvader in zijn akkerhuisje. Niet uitgenodigd zijn Anna, en grootmoeder. De vrouwen.

Bibi Dumon Tak Foto: Merlijn Doomernik

Daar bleek De dag dat ik mijn naam veranderde al die tijd over te gaan: over hoe vrouwen stelselmatig uit de geschiedenis weggedrukt worden, hoe een dominante mannencultuur hen praktisch als minderwaardig beschouwt, óók, en specifiek, binnen die familie met de curieuze achternaam. En hoe instanties die onvrijheid in stand houden, zoals blijkt uit het kafkaëske hoofdstuk waarin Anna zich in de bureaucratie van naamsveranderingen vastbijt. Bibi Dumon Tak schreef méér dan een particulier verhaal, omdat haar roman gaat over ingebakken, schrijnend seksisme. Over hoe de woede daarover oplaait, brandt, verzengt.

Bijten of sissen

Tot Anna’s psycholoog haar waarschuwt. Sissen moet je, zegt ze, niet bijten. ‘Woede is een slechte drijfveer’, fleemt ze. Ja? En dan, accepteren dat het glas ‘halfvol’ is, zoals een labbekakkerige hulpverlener zegt, redenerend dat de neefjes misschien wel weer aankloppen als ze meerderjarig zijn? Het onrecht toedekken en verdoezelen?

Anna’s reactie is een cruciale passage, die de roman optilt en hem in de geledingen van Manon Uphoffs zo terecht woedende Vallen is als vliegen plaatst. De reactie is tegelijk een soort onverwachte doorbraak in het oeuvre van Dumon Tak, waarin zij steeds met succes de andere kant liet zien. Ze haalde de menselijkheid in de jeugdcriminelen naar boven in het boek Rotjongens (2007), kroop in de huid van een drugsdealer in de jeugdroman Latino king (2010). Ze maakte álle dieren minder beestachtig.

Haar ex-zwager is als een zwartgeblakerde pannenkoek

Maar nu niet. Nu bestudeert haar alter ego Anna die andere kant en lukt het niet. Waar ze onwelgevallige types eerder in de roman ontmenselijkte, en juist verdierlijkte om hun ware aard te begrijpen (altijd toch maar weer begrijpen), ziet ze haar ex-zwager nu voor wat hij is. Ze ziet, in een metafoor (pretentieloos en raak zijn ze, de metaforen in deze roman), dat de pannenkoek aan de onderzijde zwartgeblakerd is. Ze heeft hem ‘ontdekt, besteld, bekeken, geproefd en als oneetbaar weer weggelegd’.

Genoeg, nee, te veel vrouwen hebben zich meegaand opgesteld, ooms laten begaan, mannen in bosjes als fact of life geaccepteerd. Die som is onderhuids voelbaar en luidt de indrukwekkende slot- sequentie van de roman in, die niet meer begripvol maar ook weer niet enkel woedend is. Woede was de brandstof (en moet alleen al daarom niet weggedrukt worden), maar verzengen is niet het doel. Woede kan wel degelijk productief en creatief zijn, tot méér leiden. Alleen al tot een boek dat sist én bijt en iets doorbreekt, en even woedend als hoopvol is.