‘Ik ben opgegroeid ín de zaak. Zodra ik kon, hielp ik’

Dit ben ik Iedereen heeft verschillende identiteiten. Hoe worden we wie we zijn? Deze week: Mourad Reyani (33) die opgroeide in de slagerij van zijn vader en nu mede-eigenaar is.

Foto David van Dam

‘De ene klant stapt uit een Tesla. De ander telt dubbeltje voor dubbeltje het geld neer voor een soepkip van twee euro. Meer dan de helft van mijn klanten zijn autochtone Nederlanders. Zij komen voor kwaliteit, voor de prijs en voor het assortiment. Als je bij mij komt voor een kilo kalfswangen, dan kríjg je een kilo kalfswangen. Voor 22 euro. Bij de Hollandse slager betaal je 49 euro voor een kilo. Áls ze het al hebben.

„Ik werk samen met mijn vader. Wij hebben álles. De hele koe. Het hele schaap. We benen een koe uit van kop tot staart. Er zijn niet zoveel islamitische vakslagers. Veel islamitische slagerijen verkópen het vlees alleen. Toonbankje erin. Kilo’s kippendijen. Kilo’s worstjes. Dat kan iedereen.

„Ik hóefde niet in de slagerij te werken. Ik heb die keuze zelf gemaakt. Mijn ouders vonden een opleiding belangrijk. Ik heb commerciële economie gestudeerd. Ik overwoog een master aan de universiteit, maar ik heb er geen spijt van dat ik dat niet heb gedaan. Mijn vader en ik vullen elkaar aan: hij is van het vertrouwen, ik ben zakelijker. Ik vind het werk leuk, ik probeer ervoor te zorgen dat de slagerij online goed vindbaar is.

„Nederlanders kopen ander vlees dan Marokkanen. Wij eten gestoofd lamsvlees uit de oven of tajine. Oma’s draadjesvlees, dat vier of zes uur op een laag vuurtje heeft staan sudderen, dat kent de Marokkaanse keuken niet. We hebben die sudderlapjes wel. Ik ben er gek op. Ik heb laatst nog een kilo gemaakt en thuis ingevroren. Heerlijk!

„Je blijft niet op je luie reet zitten. Dát hebben alle Reyani’s meegekregen van mijn opa, de vader van mijn vader. Hij vertrok in 1964 vanuit Bni Touzine in de Rif naar Nederland. Hij heeft zich echt kapot gewerkt. Alles pakte hij aan. Hij werkte in een mijn in Limburg, in een textielfabriek in Enschede, een staalfabriek in Utrecht en 25 jaar in de haven van Rotterdam. Daar was hij ook gebedsoproeper in zijn moskee. Eén voor één kwamen zijn kinderen naar Nederland. Mijn vader, Hassan, kwam in 1980. Hij was vijftien.

„Handel zit mijn vader in het bloed. Hij ging nooit met lege handen naar school, op de volgende berg. Hij nam een konijntje mee. Dat verkocht hij onderweg. Op de terugweg nam hij koriander en munt mee. Eenmaal in Nederland wilde hij zo snel mogelijk een eigen zaak.

‘Mijn vader is op zijn negentiende getrouwd. Onze familie en de familie van mijn moeder zijn buren in Marokko. Ze zijn aan elkaar gekoppeld. En nog steeds gelukkig samen.

Ik hóefde niet in de slagerij te werken. Ik heb die keuze zelf gemaakt. Mijn vader en ik vullen elkaar aan: hij is van het vertrouwen, ik ben zakelijker.

„Mijn vader ging met mijn moeder in de Rotterdamse wijk IJsselmonde wonen. We waren de enige Marokkanen. In 1986 werd ik geboren. Mijn vader was net twintig, mijn moeder zestien. Een jaar later begon hij een slagerijtje. Op de plek waar eerst een Oud-Hollandsch slagerijtje zat.

„Het dorp zat niet te wachten op een islamitische slagerij. Kwamen er brandweermannen de zaak binnen omdat een buurtgenoot had gezegd dat er wapens zouden liggen. Het was ook financieel zwaar. Mijn moeder vertelde dat mijn vader voor mij een boxpakje kocht van het eerste geld dat werd verdiend. Dat breekt mijn hart.

„Ik ben opgegroeid ín de zaak. Zodra ik kon, hielp ik. Eerst eieren in doosjes stoppen. Daarna zakjes kruiden van een ons afwegen. Zo steeds verder. Ik ben de oudste en de enige jongen. Ik heb vier jongere zusjes. Ik heb altijd goed voor ze gezorgd. Mijn ouders hebben geen last met mij gehad: geen politie aan de deur, geen deurwaarders. Ik heb lopen puberen, tuurlijk, maar dat duurde niet lang.

„Om te groeien hebben we de zaak in 2001 naar Rotterdam-Charlois verhuisd. Weer hadden we te maken met tegenstand. Er zijn kabels doorgeknipt van de koelinstallaties op het dak. Mensen gingen klagen bij de gemeente. Ik vraag me wel eens af: zouden de klagers van toen nu klanten zijn?

„Ik ben een familieman. Ik ben gek op mijn opa’s en oma’s. Zij zijn gek op mij. Mijn oma’s vinden het extra leuk dat ik alles met smaak eet dat ze maken. Ik hou ervan te genieten van het leven. Daarvoor hoef ik geen vijftien reisjes per jaar of een Porsche.

„Ik ben net acht maanden getrouwd. Ik heb een huis in Ridderkerk, in dezelfde straat als mijn ouders. Een ruim huis, er staan kamers leeg. Inshallah, komen er gezonde kinderen. We kijken er naar uit om papa en mama te worden.”