Schilderend op het balkon kwam het verlangen naar vrijheid

Op het balkon In lockdown schildert Oscar de Wit (84) het uitzicht vanaf zijn balkon. Schoonheid is verbonden met vrijheid, realiseert hij zich, terugdenkend aan zijn tijd in het Jappenkamp.

Uitzicht van het balkon, Corona Time I t/m V van Oscar de Wit.
Uitzicht van het balkon, Corona Time I t/m V van Oscar de Wit.

Aan het begin van het coronatijdperk besluiten we vanwege onze leeftijd, en ook op aandringen van onze dochter, vrijwillig thuis te blijven. Mijn vrouw (78) heeft kwetsbare longen en besmetting met het virus kan haar ernstig in gevaar brengen. Zelf ben ik 84. Ook ik behoor dus tot de risicogroep.

In lockdown gaan betekent al direct dat we onze kleinkinderen niet meer van school halen en thuis moeten missen. Maar thuisblijven houdt ook in dat ik een tijd niet op m’n atelier kan werken. Voor hoe lang in vredesnaam?

In ons appartement brengen we de dagen nu schrijvend en tekenend door. Om twaalf uur gaan we een half uur op het balkon staan, dat op het zuiden uitkijkt. ’s Ochtends komt de zon van links op, dan draait ze boven bomen en wolken langzaam naar de rechterkant om achter hoge populieren weg te zinken.

Ik verbeeld me dat de luchten tegenwoordig minder wazig zijn, on-Hollandser, met meer violet en scherper licht, niet meer zo zilverachtig als op de schilderijen uit de Haagse school. Gisteravond zonsondergang met prachtige, op elkaar gestapelde, grauwe wolken, heel hoog in de hemel (altostratocumulus-wolken, volgens de weerman). Vannacht wat onweer.

Luisterrijk uitzicht

Ons dagelijks uitje op het balkon levert een nieuwe wereld op. Normaal zitten we er te lezen of te praten, nu staan we te kijken naar de wereld direct onder ons en verderop over het water naar de overkant, waar af en toe een jogger tussen het weelderig geboomte voorbijrent. De plek biedt een luisterrijk uitzicht over het stille deel van ons park, waarin groen, water en de blauwe lucht de boventoon voeren.

Vlak onder ons komt de buurvrouw op haar dagelijks rondje langs. Haar gezichtsvermogen is de laatste jaren achteruitgehold en daarom wandelt ze met de buurman mee die ook niet goed meer ziet maar een hond heeft die de weg weet. Als ze bij de hoek omdraaien cirkelen alleen nog meeuwen boven het water en een paar grauwganzen met kuikens. Langs de oever wachten drie reigers op hun kans.

De natuur overheerst overweldigend en bij het ouder worden krijg ik steeds meer oog voor haar schoonheid, misschien meer nog voor haar haast ondraaglijke levenslust. Lofwaardig maar verbazingwekkend dat God het goede wil, al zijn schepselen zijn tot de tanden bewapend en staan elkaar naar het leven.

Oscar de Wit op zijn balkon. Foto Merlijn Doomernik

Na het balkon eten we een boterham van de supermarkt, het lekkere brood van de markt is even uit beeld. Aan de keukenkant van ons appartement ligt een nu vaak vrijwel lege parkeervlakte, waarachter het winkelcentrum als een gestrand cruiseschip ligt te zieltogen. Zo af en toe manoeuvreert een senior op een scootmobiel, beladen met boodschappen, in versneld tempo langs een groepje jongeren in hoodies die het bankje aan de overkant bevolken en de anderhalvemetersamenleving soeverein negeren.

Stekend verlangen

Zo gaan onze dagen, zo zouden ze moeten gaan. Maar op een dag word ik bij het melancholieke uitje op ons balkon overvallen door een stekend verlangen naar vrijheid dat me treft als een floret.

En ineens ben ik acht jaar en zit ik met mijn moeder opgesloten in ons tweede – nog relatief draaglijke – kamp boven in de bergen van de Preanger op Java, waar die nacht een hevige moessonstorm de bamboe-omheining van het kamp omvergeblazen heeft. ’s Morgens na het appèl sluipen wij jongetjes er stiekem heen – de Japanse bewakers houden niet van jongetjes bij omgevallen schuttingen – en kijken we neer op een weids panorama van blauwe bergen en groene heuvelflanken waarover de ijle figuurtjes van theepluksters kruipen.

Oh, wat is dat uitzicht wonderschoon en oh, wat verlang ik naar de vrijheid van die theepluksters. Mijn makkertjes druipen af maar ik blijf staren en staren totdat de bewakers het laatste stukje schutting gedicht hebben. De verdere dag loop ik rond met het zalige gevoel dat ik een stukje van het paradijs gezien heb.

Die dag moeten schoonheid en vrijheid zich in mijn geest onlosmakelijk met elkaar verbonden hebben. Hoe zou ik anders bijna tachtig jaar later door dat verlangen overweldigd kunnen worden?

Oorlogsmisdadiger

Misschien dat de gebeurtenissen erna deze dingen uitgewist hebben. Een half jaar later belandden we in ons derde kamp, waar mijn moeder zou sterven en de wrede kampcommandant Kenichi Sonei al mijn hogere gevoelens tussen vliegen, luizen, ratten, maden, honger en drek smoorde. Hij zou na de oorlog als oorlogsmisdadiger geëxecuteerd worden, al wordt hij nog altijd in de Jazukuni-tempel in Tokio geëerd.

Maar ik kan maar niet begrijpen waarom ik dat intense verlangen naar vrijheid en schoonheid zo lang kwijt was. Zou het kunnen dat mensen – net zoals ze niet weten wat ze allemaal weten of kunnen weten als ze de wetten van de logica tot het bittere einde doordenken – niet voelen wat ze allemaal voelen of kunnen voelen, als ze de wereld werkelijk lief zouden hebben, in het besef dat planten onverschrokken omhoog groeien en bomen hun scheuten uit bladscheden verjagen? Zou het kunnen dat bij de nijvere constructie van een steeds veiliger en sterielere wereld, die alle rampen buiten de grenzen houdt maar nu door fijnmazige levensvormen wordt doorzeefd, sommige gevoelens net als de glimmerachtige schilletjes van een ui één voor één afgepeld worden en we met elke culturele stap voorwaarts wel drie of vier rokken gevoel kwijtraken?

Ach, gevoelens raken nu eenmaal zoek, worden verdrongen of verdwijnen voorgoed. Maar op dat balkon werd ik opeens opnieuw overmand door een intens verlangen naar vrijheid en kwam het paradijs door de schoonheid van deze lentemaanden even terug.