Interview

‘Elke dag in Bergen-Belsen was erger dan de vorige’

Irene Butter Als Joods meisje sloeg Irene Butter op de vlucht voor oorlog, van Berlijn naar Amsterdam via Bergen-Belsen en Algerije tot uiteindelijk New York. „Erger dan alle ellende in het kamp, vond ik het dat ons gezin gescheiden raakte.”

Irene Butter in 2013, met de deken om zich heen geslagen die ze ook al bij zich droeg tijdens haar kinderjaren in kampen in Westerbork, Bergen-Belsen en Algerije. „Onze kleren waren lompen, maar we maakten toch een bundeltje voor Anne Frank.”

 

Dit voorjaar zou Irene Butter naar Bergen-Belsen reizen. Op 15 april, precies 75 jaar geleden, bevrijdden Britse soldaten het concentratiekamp. Het zou de derde keer worden dat ze terugkeerde naar het kamp waar ze als Joods meisje van 1943 tot 1945 gevangen zat met haar ouders en haar broer Werner. De Covid-19-epidemie doorkruiste het plan. „Ik zou in het kamp een toespraak houden en ik zou nog eenmaal de kans hebben om het graf van mijn vader te bezoeken.”

Nog eenmaal?

„In december word ik negentig”, zegt ze door de telefoon vanuit haar woonplaats Ann Arbor, Michigan. „Op mijn leeftijd moet je nergens meer op rekenen.” Dit weekend verschijnt Reni’s reis, de Nederlandse vertaling van haar boek Shores beyond shores, over haar jeugd, gevangenschap en de bevrijding.

Is het ongepast om te vragen of de onzekerheid rond de epidemie in enig opzicht doet denken aan haar ervaringen tijdens de oorlog? „Nee, nee. Dat is precies wat het was. Ik woon nu in een heerlijk huis, ik heb eten genoeg, via telefoons en computers sta ik met familie en vrienden in contact. Maar het niet-weten is een essentiële overeenkomst. Elke dag in Bergen-Belsen was erger dan de vorige. Elke dag vroeg ik mezelf af: hoelang houd ik het nog vol? Ik praat vaak op scholen over de oorlog. Sommige kinderen vertellen dat ze zich naar het eind van het schooljaar moeten slepen. ‘Maar jij weet tenminste wanneer het eindigt”, zeg ik dan. Wij wisten niet wanneer het afgelopen zou zijn. En dat weten we nu ook niet.”

Slijtplekken

„Mijn vader werkte bij een bank in Berlijn, hij was gelukkig met mijn moeder en lief voor mijn broer en mij. Onze lieve grootouders woonden bij ons. Ik heb later wel eens gedacht: dat heeft mij gered in het kamp, die stevige, liefdevolle basis uit mijn jeugd. De eerste zeven jaren van je leven hebben zo’n sterke invloed op de rest.

„In 1937 verhuisden we naar Amsterdam. Opa en oma moesten achterblijven in Berlijn. We woonden in de Scheldestraat, in de Rivierenbuurt. Ik heb later nog eens aangebeld bij ons oude huis. De bewoners waren niet thuis, maar de buren lieten ons binnen, zij hadden precies dezelfde woning. Ik liep de trap naar boven en zag de slijtplekken op de treden. Dat zijn de voetstappen van mijn vader, dacht ik. En ook: gek dat ze dat nooit hebben gerepareerd. Ik zag er een verschil in tussen de VS en Europa. Amerikanen zouden het meteen hebben vernieuwd – de keerzijde is dat zij een kort geheugen hebben.”

Maanden heb ik niet geweten of ik een wees was of niet

Irene Butter Holocaust-overlever

Over geheugen gesproken: het boek beschrijft tot in de kleinste details en dialogen het kinderleven van Irene Butter, die toen nog Reni Hasenberg heette. „Hier moet ik mijn ghostwriters een compliment maken. Met hun vragen woelden ze allemaal nieuwe herinneringen bij me los.”

De bovenwoning in Amsterdam doemt voor haar geestesoog op. „Toen we er terugkwamen, waren drie dingen anders dan toen. Wij moesten het warme water met een meter aanzetten.” Ineens komt haar Nederlands terug. „You had to put in kwartjes to get hot water. And we had kachels”, zegt ze. „Er was geen centrale verwarming. Er was ook geen koelkast, wij hadden een kast met een ijsblok erin.”

Vrijwel alle Joden zijn uit Amsterdam gedeporteerd, vaak met hulp van politiemensen en andere Amsterdammers. Wat merkte ze van antisemitisme onder Nederlanders voordat het gezin werd opgepakt? „Er schiet mij geen enkel incident te binnen. Als het was gebeurd, zou ik het me echt wel herinneren.”

In 1937 verhuisde het gezin van Irene Butter vanuit Berlijn naar Nederland.
Foto privé-archief
Irene Butter op een jeugdfoto.
Foto privé-archief
Irene Butter, staand in het midden, in 1945 in Algerije.
Foto privé-archief
Foto’s privé-archief

Anne Frank

„Op een nacht in januari 1945 troonde mijn vriendin Hanneli me mee naar het prikkeldraad dat twee delen van kamp Bergen-Belsen scheidde. Aan onze kant had je de barakken, aan de andere kant alleen tenten. Aan het hek stond Anne Frank, een Amsterdams vriendinnetje van Hanneli. Ik had wel van haar gehoord. Ze was zo mager en bleek. Met haar zuster Margot was ze een paar maanden eerder uit Auschwitz aangekomen. Ze had alleen een grauwe deken om en vroeg of wij haar iets van kleren konden bezorgen.

„We zeiden dat ze morgen op dezelfde plek moest wachten. Onze kleren waren lompen, maar we maakten toch een bundeltje voor haar. Dat gooiden we de volgende nacht over de omheining. We hoorden haar scharrelen en toen kwam ze terug: iemand anders was met het pakje weggehold. Later zou Hanneli opnieuw een bundeltje gooien, en dat kreeg ze wel. Maar toen was ik al niet meer in het kamp. Ons gezin werd de volgende dag namelijk uitgeruild tegen Duitsers uit Palestina.

Het kampleven was vreselijk, maar het was geleidelijk gegaan tot aan het ondenkbare toe

Irene Butter Holocaust-overlever

„Het optimisme van mijn vader heeft ons door het kamp gesleept. Hij had de Ecuadoriaanse paspoorten geregeld waarmee we konden worden geruild. De dag voor ons vertrek is hij keihard geslagen in het kamp. In de trein tussen Bergen-Belsen en Zwitserland is hij eraan bezweken. Bij Biberach, de laatste halte in Duitsland, legden enkele mannen hem neer op een bank bij de ingang van het station en spelden een kaartje op zijn jas met zijn naam en overlijdensdatum. En wij reden met de trein het station uit.

„Erger dan alle ellende in het kamp, vond ik het dat ons gezin daarna gescheiden raakte. Mijn vader, dood, en in Zwitserland moesten mijn moeder en broer naar het ziekenhuis. Ik werd doorgevoerd naar een Algerijns kamp. Maanden heb ik niet geweten of ik een wees was of niet. Het heeft anderhalf jaar geduurd eer wij werden herenigd in New York.

„In Amerika spraken wij in geen jaren over de oorlog of het kamp. Op 23 januari, de verjaardag van mijn vader, belden mijn broer en ik elkaar altijd. Maar we zeiden nooit hardop waarom.”

Lieflijk

„De soldaten die Bergen-Belsen op 15 april 1945 bevrijdden, moeten een hardere schok hebben gekregen dan wij die erin hebben geleefd. Het terrein was bezaaid met lijken. De mensen die nog leefden, waren wandelende geraamten. Voor ons was het kampleven vreselijk, maar het was geleidelijk gegaan tot aan het ondenkbare toe.

Lees ook dit dossier ‘De bevrijding van Nederland’

,,Nu is er een museum, er is een educatief centrum. Er zijn altijd Duitse schoolkinderen die Holocaust-les krijgen. Er hangen bordjes die wijzen naar de barakken en naar de massagraven. Het is groen en lieflijk. In de oorlog stonden bomen noch struiken op het terrein. Het was grauw, modderig, overal hing prikkeldraad. Ik heb al die jaren nooit een vogel gezien, nu hoor je ze steeds fluiten. Het is er heel mooi.

„Mijn kinderen en die van mijn broer overvielen ons op een familiedag. Ze wilden dat wij hen meenamen naar de plaatsen uit ons verleden. We waren eerst geschokt, we hadden nooit gedacht nog eens naar die plek te gaan. Maar we hebben het gedaan. Berlijn, Amsterdam, Westerbork, Laupheim, waar mijn vader is begraven. En Bergen-Belsen. Het was bevrijdend. Weet je, dit was de plek waar we hadden moeten worden vermoord en nu stonden mijn broer en ik hier met onze kinderen.”

Irene Butter, Reni’s Reis. Uitgeverij Balans. € 21,99