Recensie

Recensie Boeken

Weinig Nederlanders vielen zó diep als Van Heutsz

Generaal Jo van Heutsz Als gouverneur onderwierp hij de bevolking van Atjeh met grof militair geweld. Een biografie laat hem ook zien als een modern denkend mens.

Er zijn weinig mensen in de Nederlandse geschiedenis die zó hoog op een voetstuk werden geplaatst, om vervolgens zó diep te vallen. Het verhaal van Jo van Heutsz is, hoe dan ook, opmerkelijk. Toen hij 1904 uit Indië naar Nederland kwam voor een gesprek over zijn benoeming tot gouverneur-generaal was er sprake van nationale hysterie. Op elk station waar hij uit de trein stapte – Roosendaal, Breda, Den Bosch, Nijmegen, Rotterdam, Den Haag, Amsterdam – wachtten hem notabelen, muziekkorpsen en juichende massa’s. Van Heutsz (1851-1924) werd gezien als de man die de al jaren slepende oorlog in Atjeh eindelijk in Nederlands voordeel had beslecht. Een Hollandse held.

Na zijn dood kreeg hij een staatsbegrafenis. Wilhelmina stelde het Paleis op de Dam beschikbaar voor de genodigden. En in 1935 onthulde ze in Amsterdam een groot monument voor hem. Sinds 2003 heet dat het Monument Indië-Nederland – de naam Van Heutsz is te zeer bezoedeld door koloniaal geweld. Bij de verkiezing van ‘grootste Nederlander’ in 2004 stond Van Heutsz niet op de lijst van 200 genomineerden.

Je zou denken: zo iemand verdient wel een degelijke, moderne biografie. Die was er gek genoeg niet. Vilan van de Loo (1961) hoopt de leemte te vullen met Uit naam van de majesteit. Haar interesse werd gewekt toen ze ontdekte dat hij subsidie gaf aan ‘Pa’ van der Steur, een zendeling die zich inzette voor verwaarloosde kinderen. ‘Liefde voor kinderen, dat kon ik niet rijmen met het beeld van ruwe houwdegen’, schrijft ze in haar voorwoord.

Zelf had Van Heutsz geen gemakkelijke jeugd. Zijn vader, ook beroepsmilitair, dronk. Een veiligheidsrisico: als magazijnmeester was hij verantwoordelijk voor een depot met buskruit.

Carrièrekansen

Jo van Heutsz meldde zich in 1873 voor Atjeh. Dat bood carrièrekansen. En hij zou daar geen last hebben van de naam van zijn vader. Atjeh is de constante in de carrière van Van Heutsz. Als hij een tijdje elders had gediend, keerde hij telkens weer terug naar de opstandige provincie, waar sinds 1873 een oorlog woedde. Telkens in een hogere rang. In 1898 werd hij gouverneur van Atjeh. ‘Pacificatie’ werd zijn werkwijze eufemistisch genoemd. Dat betekende: een gebied onderwerpen met militair geweld, de bevolking registreren en ontwapenen, en vervolgens economisch exploiteren.

Foto uit besproken boek

Dus gewoon een houwdegen? Het beeld blijkt inderdaad genuanceerder. Verlicht is een groot woord. Maar Van Heutsz was óók degene die de ‘inheemse’ Raden Mas Ario Koesoema Joedha een bestuursfunctie gaf – tot woede van de koloniale gemeenschap. En het kon nog gekker: Van Heutsz liet een vrouw, Laura Ellinger, het ‘groot ambtenaarsexamen’ afleggen, zodat ze carrière zou kunnen maken in het ‘binnenlands bestuur’. Ze slaagde. Maar een vrouw die mannen bevelen zou kunnen geven? Dat vond men in Den Haag te ver gaan.

Dit soort observaties versterkt het gevoel: deze man had een betere biografie verdiend. Want Uit naam van de majesteit blijft helaas nogal aan de oppervlakte. Het boek leunt zwaar op (te) lange citaten uit kranten. Blijkbaar ontbrak het de auteur aan bronnen die een beter zicht konden bieden op het gevoelsleven van haar hoofdpersoon. Als zijn broer Pierre overlijdt, merkt ze op: ‘Het moet een diep verdriet zijn geweest.’ En bij de dood van Van Heutsz’ echtgenote Marie (doodsoorzaak onbekend): ‘Haar overlijden moet een schok geweest zijn.’ Bronnen ontbreken blijkbaar.

‘Atjehmethode’

De biografie concentreert zich (noodgedwongen?) op politieke en militaire aspecten. Maar aan het geweld waarmee Van Heutsz tegenwoordig wordt geassocieerd worden weinig woorden vuilgemaakt. Als gouverneur van Indië paste hij zijn ‘Atjehmethode’ toe op de hele kolonie. Van de Loo maakt kort melding van ‘naar schatting 50.000 doden in de buitengewesten’. Onbeantwoorde vragen dringen zich op: was dat louter de verantwoordelijkheid van Van Heutsz? Hoeveel of weinig is dat als je het vergelijkt met andere koloniale mogendheden? En is de reputatie van houwdegen niet gewoon terecht?

Het wekt geen verbazing dat het werk bij Van Heutsz steeds op de eerste plaats kwam. Onthullend en ook een beetje tragisch is wel een passage uit een brief waarin hij in 1903 schreef: ‘werkelijke vriendschap sloot ik in Indië nooit.’