Recensie

Recensie

De bijna-auto van Seat is een hele piet geworden

Autotest De Seat Leon is, op wat kleine afwijkingen na, exact dezelfde auto als de nieuwe Golf, schrijft .
De Seat Leon
De Seat Leon foto Merlijn DOomernik

Seats zijn dun gezaaid in de letteren, maar in Kees van Beijnums roman Een soort familie duikt er een op, een Altea Station. Van Beijnum heeft zich voorbereid, en dat is in de literatuur geen wet van meden en perzen. Ik verdenk collega-schrijvers ervan op dit terrein met opzet te blunderen om het stigma te ontlopen van oprechte belangstelling voor zoiets onbelangrijks. Zo voert Bob den Uyl in een pastiche op een doktersromannetje een Mercedes S-2000 op, ook rechtstreeks uit het fabelrijk. Alleen op Leon de Winter kan de autoliefhebber bouwen, maar we weten allemaal hoe dat afliep.

Nu is die Altea precies de goede zakenauto voor Van Beijnums hoofdpersoon Teun, een kwijnende vertegenwoordiger in kopieermachines. Het is een lauwe, pseudosportief gelijnde designdoodkist voor iemand die nergens meer in gelooft. De schrijver heeft gedacht: ik moet een trieste auto hebben, zo dodelijk als het beroep van zijn bewoner. Want, wist hij, een Seat is het net niet. Net als wij allemaal heeft Van Beijnum op de weg gezien wat kopieermachineslaven rijden. Geen BMW’s, dan sturen ze een team verkopers aan. Een Seat is voor iemand die zijn leven niet onder controle krijgt. Hij is er voor de onverschilligen en de geslagenen.

Maar intussen! Iets goedkoper, iets minder verfijnd van afwerking dan een Golf of Audi uit hetzelfde huis, en voor je goeie geld toch mooi dezelfde betrouwbare techniek voor vijftienhonderd euro minder. Je vroeg je altijd af wat zo’n beduimeld prijsverschil kon uitmaken voor zakenrijders en hun leidinggevenden, maar blijkbaar was het net genoeg om Seat in de race te houden.

Illusies

Wat Van Beijnum niet weet en ik wel, omdat ik in de auto’s zit, is dat de Seat-man wel degelijk illusies koestert. Omdat hij geen boeken leest, ziet hij zijn medebestuurders niet als medeslachtoffers maar als bondgenoten. Hij voelt een band met dat merk. Hij leest een ander Seat, dat van de sportieve, zuidelijke uitstraling, in een ander tijdperk al vereeuwigd met de bedrijfsslogan die Seats tot een soort van Spaanse Alfa’s ridderde; Auto Emoción, iets bijna vurigs.

De bijna-auto is een hele piet geworden. De grote bling- en multimediaparty van het Duitse moederhuis is in Barcelona in volle hevigheid losgebarsten. Onder de achterbumper twee verchroomde uitlaatsierstukken waarachter men de echte pijpen met een loep moet zoeken. Ze zitten er, onzichtbaar, twee in getal. Op de kofferklep kleeft een Leon-logo met het zwierig krullende lettertype dat op Porsche-konten ‘Cayenne’ of ‘Panamera’ schoonschrijft, ter rechterzijde vergezeld van de aanbeveling FR. Dat staat voor Formula Racing, de sportieve noot die in de testwagen een krachtig voorstellingsvermogen vergt, al is hij met een top van ruim 220 best een vlotte jongen. Hij prikklokt zo gehoorzaam als de nieuwe Golf. Het is dan ook exact dezelfde auto, op de carrosserie en nog wat kleine, voornamelijk esthetische afwijkingen na. De dodehoekverklikker, bij normale merken in de buitenspiegel, is door Seat opgenomen in een sfeerverlichte sierlijn in het deurpaneel, een stukje innovatie zeg maar. Maar hij heeft dezelfde fijne motor en dezelfde onberispelijke automaat met dubbele koppeling, hetzelfde debiele infotainmentsysteem met debiel touchscreen, debiele gebarensturing en tot waanzin drijvende menuvoering die vast nog eens een suïcidale, confronterende, verontrustende millennialroman oplevert; de tijd die komt, gaat zwanger van nieuw slavenleed. Het verschil tussen Leon, Golf, Skoda Scala en Audi A3 is dat tussen Op1 op maandag, dinsdag, woensdag en donderdag; andere presentatie, zelfde virologen. Komisch is de mogelijkheid de Seat e-mails voor te laten lezen. Een vrouwelijke computerstem draagt dan met digitaal gespleten tong elke komma en accolade van het inkomende bericht voor, onmachtig hoofd- van bijzaken te onderscheiden. Men voelt zich door acute afasie getroffen, onverstaanbaar.

Ik zwerf door Lease County met één ambitie; oogcontact met een Teun. De levensvatbaarheid van de Leon staat of valt bij zijn aandachtscurve. Ik heb slecht nieuws. De enige Teuns die kijken – en in het echte leven Kevin of Dennis heten, en sidderend ‘komt voor elkaar!’ tegen een BMW-baas zeggen – rijden de kleinere Seat Ibiza. Die zien mij in de Seat van hun eerste en laatste promotie. Die gaan ze meemaken, waarna hun leven uitdooft als een Hollandse roman van Kees van Beijnum. Die ze niet hoeven te lezen, want ze leven hem al, als personages die niet weten dat ze personages zijn. Een geluk bij een ongeluk.