Interview

Voor Schiermonnikoog begon de oorlog pas na de bevrijding van het vasteland

Na de bevrijding van Groningen vluchten honderdtwintig SS’ers en SD’ers naar Schiermonnikoog. De eilanders wisten niet wie ze waren, de ‘gewone’ Duitse soldaten op het eiland wilden hen niet ontvangen. Wekenlang woonden ze op de boerderij van de familie Talsma.

Lees de online versie van dit artikel op nrc.nl/deflat-corona

Aan de overkant hingen de Nederlandse vlaggen al uit. Vanaf de dijk op Schiermonnikoog zag Yde Talsma dat het vasteland was bevrijd. Maar wat hij toen nog niet wist, was dat de oorlog voor hem, zijn vrouw en hun vijf zoons pas zou beginnen.

De oorlogsjaren gingen grotendeels aan Schiermonnikoog voorbij. Tot na de bevrijding van het vasteland een groep van zo’n honderdtwintig vluchtende oorlogsmisdadigers en collaborateurs uit Groningen het eiland bereikte. Ze wilden vanaf Schiermonnikoog snel doorreizen naar het naastgelegen Duitse Waddeneiland Borkum, maar bleven uiteindelijk wekenlang wonen in de boerderij van de familie Talsma. Schiermonnikoog was de laatste gemeente in Nederland die bevrijd werd, op 11 juni 1945.

Auke (82) en Theun (84) Talsma zitten aan de keukentafel van hun ouderlijk huis. De twee witbebaarde broers met fonkelblauwe ogen en wilde harenkunnen hun herinneringen van de oorlog nog scherp navertellen. Op tafel liggen krantenartikelen en foto’s over de oorlog. Maar de meeste verhalen komen rechtstreeks uit hun geheugen, veel anekdotes, ze springen van de hak op de tak. „We hadden slechter kunnen treffen”, zegt Theun aan het einde van het gesprek.

De oorlog zelf verliep rustig op het eiland. De leeuweriken vlogen zingend over de weilanden. De weidevogels broedden in de polder. En dankzij de eendenkooi van vader Yde aten ze op zondag af en toe een eend. Auke, de jongste van de vijf broers: „Er was geen vuiltje aan de lucht.”

Van de oorlog kregen de Talsma’s weinig mee. „Naar het vasteland varen mocht niet zomaar”, zegt oudere broer Theun. Dus informatie kwam maar mondjesmaat binnen op het eiland. Ook niet via de radio, want die hadden ze thuis niet. „Moeder was altijd bang”, herinnert Theun zich. „Denk erom, kom nergens aan”, zei moeder Sijke Talsma vaak tegen de vijf broers.

Lees hier een interview met schrijver Koos Dijksterhuis, die al zijn hele jeugd op Schiermonnikoog komt

De Talsma’s leefden op een boerderij in het oosten van Schiermonnikoog, de woning die ver van het dorp lag. Een kleine boerderij met een moestuin, zo’n twintig melkkoeien en een eendenkooi, waar wilde eenden gevangen werden. Theun woont er nog steeds.

Vliegtuigen vlogen wel over

Hoewel het leven op Schiermonnikoog doorging zoals anders, ging de oorlog niet helemaal aan het eiland voorbij. „Je zag vliegtuigen als je naar school liep”, zegt Theun, die aan het einde van de oorlog negen jaar was. „En in de struiken lagen pamfletten die uit de vliegtuigen werden gegooid.” Op school deden ze af een toe een oefening. „Onder de banken, onder de banken!”, riep de meester dan. „We hebben een keer een vliegtuig bijna op het dak gehad”, herinnert Theun zich. „Die kwam heel laag over en stortte neer in het weiland achter ons huis. Het vliegtuig stond in brand, vader rende erheen om de vier bemanningsleden te helpen. Engelsen. Ze zijn gered. Vader sprak met handen en voeten met ze, want hij kon geen Engels. Dat was een hoop avontuur.”

Bovendien vielen in 1943 bommen op het eiland. Een bom van vluchtende Engelsen, waarschijnlijk gedropt om brandstof te besparen, viel midden in het dorp. „Een voltreffer”, weet de twee jaar jongere Auke. „Zeven doden en van de burgemeesterswoning hebben ze niks teruggevonden.”

Nadat de Duitsers op 16 mei 1940 het eiland bezetten, bouwden ze een bunkerdorp (‘Schleidorp’) en vestigden ongeveer zeshonderd soldaten zich op Schiermonnikoog, ten noordoosten van het gelijknamende dorp’. Schiermonnikoog was onderdeel van de Atlantikwall, een Duitse verdedigingslinie langs de Europese kust van Spanje tot aan Zweden.

De ‘gewone’ Duitsers

De „gewone” Duitsers, noemen Auke en Theun de soldaten die jarenlang op het eiland zaten. Op de terugweg van school kwamen ze hen af en toe tegen. „Ze gaven wel eens zo’n zuur brood”, zegt Auke. „Dan vroeg moeder meteen: hoe kom je daaraan?” Lekker vonden ze het niet. „Maar zuur werd je er niet van”, lacht Theun.

Meestal zaten de Duitsers in het Schleidorp of oefenden ze op de stranden. En soms kreeg een eilandermeisje bezoek van zo’n Duitser.

Op het eiland legden de Duitsers een smalspoorlijn aan voor het transport van de bouw van de bunkers. „Onze oudste broer Tjitte heeft daar met zijn kameraden nog een verzetsdaad gepleegd”, herinnert Theun zich. Boven op de dijk stonden kiepkarren, beneden een grote schuur met de locomotief erin. Tjitte heeft toen een kiepkar losgemaakt en naar beneden laten rijden. „Met een razende gang vloog die dwars door de deuren van de schuur en de locomotief kwam er aan de andere kant uit. De deuren vlogen aan diggels. Petrus, de machinist, was toen wel eventjes in de war.”

Gevluchte SS’ers op het eiland

Terwijl op maandag 16 april 1945 de stad Groningen na een driedaagse strijd werd bevrijd door Canadezen, begon de oorlog voor de Talsma’s toen pas echt. Tijdens de bevrijding van Groningen vluchten zo’n honderdtwintig SS’ers en SD’ers naar Schiermonnikoog. Ze kwamen van het beruchte Scholtenhuis in Groningen. De gevangenis, die dienst deed als regionaal hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst, stond bekend als het ‘voorportaal van de hel’. Honderden verzetsstrijders werden gevangengenomen, verhoord, gemarteld en gefusilleerd. De vluchtenden werden geleid door Robert Lehnhoff, fervent rokkenjager en SD’er die de bijnaam ‘De beul van Groningen’ droeg.

Frits Abrahams schreef eerder een column over Schiermonnikoog en de Tweede Wereldoorlog

Terwijl de negenjarige Theun en zesjarige Auke hun lessen volgden op school, vond hoog overleg plaats op het gemeentehuis van Schiermonnikoog. Wat moest het eiland met die honderdtwintig vluchtelingen? De eilanders wezen naar het Schleidorp, maar de Duitsers wilden hen absoluut niet ontvangen, bang dat ze waren voor de mannen in uniformen en hun wapens. En dus moesten de SS’ers, SD’ers en hun vrouwen maar plaats nemen in de drie boerderijen die het verst van het dorp lagen. Dan zouden de Duitse soldaten hun luchtafweergeschut erop richten.

Even na twaalven kwamen Theun en Auke thuis van school. „Vader en moeder waren gestresst”, zegt Auke. „In een uur tijd moesten we alle spullen bij elkaar zoeken en de weckflessen met groenten in de bedstee verstoppen.” De gevluchte SS’ers kregen onder meer de boerderij van de Talsma’s toegewezen, die lag het verst van het dorp, waardoor het gezin pardoes moest vertrekken. Moeder Sijke nam een geldkistje mee, het warme eten ging mee in de pan en op blootvoets liepen de broers achter de paard en wagen aan. Binnen enkele dagen zouden de SS’ers weg zijn, was de verwachting.

Maar waar de familie Talsma dan heen moest, wist niemand. Vader Yde klopte aan bij de boerderij van Jitze en Matje de Vries. Die nacht sliepen de vijf jongens in het stro in de schuur. Maar Matje was in verwachting, dus een structurele oplossing was dat niet.

De volgende dag maakte vader Yde stampij op het gemeentehuis. Daar werd diezelfde middag nog een huis voor hen geregeld in het dorp, met bedden voor de kinderen.

„Vader mocht hier in de wei bij de boerderij nog wel de koeien melken”, zegt Theun. „En onze oudste broer Tjitte hielp ook mee.” ’s Avonds bij thuiskomst werd dan alles besproken over de onbekende gasten. Theun mocht ook een keer mee met vader: „Ik zag allemaal vreemde mensen met lange grote jassen en uniformen”.

Vader Yde hoorde de namen van de SS’ers en SD’ers tijdens het dagelijks appèl dat ze hielden op de boerderij. „Dat waren veel Hollandse namen”, vervolgt Auke. „Dat was belangrijk.” Theun: „Want vader gaf die namen door aan het gemeentebestuur, die niet precies wist met wie ze te maken hadden.”

De ongenode gasten hadden de boerderij hadden behoorlijk verbouwd. In de woonkamer kookten ze. Officier Lehnhoff overnachtte op de boerderij. Veel anderen sliepen in de bosjes van de eendenkooi, waar ze hutjes hadden gegraven in de dijk rondom de vijver en in de kooiduinen.

Al snel bleek dat de gevluchte SS’ers en SD’ers langer op het eiland zouden blijven dan werd verwacht. De enkele dagen werden weken. Totdat Herman Kloppenburg, een verzetsstrijder die de laatste maanden van de oorlog ondergedoken had gezeten, op zoek ging naar de SS-officier Lehnhoff. Via een maîtresse van Lehnhoff achterhaalde Kloppenburg dat de honderdtwintig medewerkers van het Scholtenhuis naar Schiermonnikoog waren gevlucht.

Verkleed als Canadezen

Kloppenburg verscheen op vrijdag 4 mei 1945 voor het eerst op het eiland. Waarnemend burgemeester Johannes Weber bevestigde de aanwezigheid van de Scholtenhuisvluchtelingen. Kloppenburg verzon samen Weber én de Duitse commandant van het Schleidorp Wittko, een list om de bewapende SS’ers en SD’ers van het eiland te krijgen.

Alleen duurde het nog twee weken voordat Weber Kloppenburg weer zag. Op 25 mei arriveerde Kloppenburg in het geheim op het eiland, verkleed als Canadees samen met de Canadese sergeant Boddard en een militair. Dorpelingen die hen zagen onthaalden hen als bevrijders, maar zover was het nog niet.

Na lang beraad sloot Kloppenburg een deal met de leiders van het honderdtwintig vluchtelingen. Ze mochten als krijgsgevangen het eiland verlaten. Eenmaal aan land, zes dagen later, werden ze alsnog gevangengenomen.

Theun en Auke kregen er weinig van mee. „We zaten op school in het dorp”, zegt Theun. „Van onze ouders en oudste broer hoorden we ervan.”

Nog eens twee weken later, op 11 juni 1945, werd Schiermonnikoog dan helemaal bevrijd. „Toen zijn de Duitsers van het Schleidorp ook afgemarcheerd”, zegt Auke. „Grote optochten in het dorp met muziekkorpsen.” Maar niet iedereen was blij dat de Duitsers vertrokken. Meisjes van een jaar of zestien tot achttien stonden op de straathoeken die het vreselijk vonden dat de Duitse jongens weggingen.

Uitgewoonde boerderij

Eenmaal terug op de Kooiplaats, de boerderij van de familie Talsma, troffen ze een uitgewoonde woning aan. Auke: „Een dikke rotzooi, een bende. Het was vies en uitgewoond dat weet ik nog wel.” De stoelen waren weg, alles wat brandbaar was hadden ze de kachel mee aangestoken. Theun: „Uiteindelijk had moeder vier stoelen geregeld, anders konden we niet eens zitten.”

Toch was het ook heel spannend, zegt Auke. Zoals met de handboeien die Tjitte vond en om de benen van Theun deed. „Dat weet ik nog”, zegt Theun. Er waren geen sleutels te vinden, dus met twee benen aan elkaar moest Theun achter op de fiets naar de dorpssmid. Of die keren dat Tjitte achter gelaten spullen vond op de brandstapel: gespen met hakenkruizen, vuurwapens.

In het bunkerdorp vonden ze gasmakers en blusapparaten. „Dat kenden we niet”, zegt Auke. De gasmaskers zetten ze op en de blusapparaten spoten ze leeg. „Het was elke dag weer spannend wat je tegenkwam.”

Uiteindelijk duurde de bezetting van de Kooiplaats zo’n zes weken. In die weken kwam de oorlog voor de Talsma’s dichttbij. Na de oorlog bleef niks over, het meubilair was opgebrand. Theun: „Zelfs de boontjes uit de weckflessen in de bedstee hebben ze allemaal opgegeten. De weckflessen waren allemaal weg.”

Voor dit verhaal is gebruik gemaakt van verschillende boeken en artikel over de oorlog op Schiermonnikoog, waaronder Het Scholtenhuis (2015) van Monique Brinks.