Het José Saramagoplein, waar het slavernijmonument zal komen te staan.

Foto Bruno Colaco

Interview

‘Portugal hoeft zich niet te schamen voor zijn verleden’, reageert deze hoogleraar

Interview | João Paulo Oliveira e Costa Het Portugese parlementslid Beatriz Gomes Dias ageert tegen „diepgeworteld racisme” in de Portugese samenleving en heeft zich ingespannen voor de komst van een slavernijmonument in Lissabon. Hoogleraar geschiedenis João Paulo Oliveira e Costa stoort zich aan de koppeling tussen racisme en het nationale slavernijverleden.

Hoogleraar geschiedenis João Paulo Oliveira e Costa (58) zucht diep als hem in zijn kleine kamer van de Universidade Nova in Lissabon wordt gevraagd of racisme diepgeworteld is in de Portugese samenleving. „Natuurlijk is er racisme in Portugal. Ik ken geen land ter wereld waar geen racisme is. Er zijn witte racisten. Er zijn zwarte racisten. Maar voor het overgrote deel van de Portugezen is de kleur of afkomst van een ander om het even. De dood van George Floyd wordt unaniem veroordeeld, maar tot een nationaal debat leidt dat hier niet.”

João Paulo Oliveira e Costa Foto aangeleverd.

De Portugese historicus Oliveira e Costa geldt als dé specialist als het gaat om de geschiedenis van het Zuid-Europese land in de vijftiende en zestiende eeuw. Het tijdperk van de ontdekkingsreizen betitelt hij zonder enige aarzeling als „glorieus”.

Lees ook: ‘Alleen door de waarheid te vertellen kunnen we racisme verslaan’

„Geen enkele Portugees van nu hoeft zich daarvoor te schamen. Geen enkel volk ter wereld is met het geven van knuffels en kusjes groot geworden. Niet in Europa, niet in Amerika, niet in Azië en niet in Afrika.” Ja, Portugal heeft bij de tochten ook geweld gebruikt, zegt Oliveira e Costa. „Maar ik denk niet dat het zin heeft daar met de blik van nu een moreel oordeel over te vellen.”

Al ziet hij niets in schaamte over het verleden, Oliveira e Costa wil wel dat „het héle verhaal zuiver wordt verteld”. Hij stoort zich er dan ook al jaren aan dat het geschiedenisonderwijs in Portugal na het einde van de dictatuur in 1974 niet drastisch is veranderd.

„Het is kwalijk als er in een klaslokaal met witte en zwarte kinderen verhalen worden verteld over almachtige Europese ontdekkingsreizigers, die andere primitieve, zwarte volkeren hun wil oplegden. Daarbij krijgt de witte jongen automatisch het gevoel dat hij superieur is aan zijn zwarte klasgenoot”, zegt hij. „Daarom moeten we het verleden altijd in zijn context plaatsen én het complete verhaal inclusief alle gruweldaden en misstanden vertellen. Als een monument ter nagedachtenis aan de slavernij daaraan bij kan dragen, is dat prima.”

Volgens Oliveira e Costa gaat het grotendeels om kennisgebrek. „Het probleem van de huidige politici is dat ze geen idee hebben hoe de geschiedenis van ons land precies in elkaar zit. Ze hebben geen antwoord klaar als minderheden aankomen met een discours over het slavernijverleden en dat koppelen aan racisme in de huidige maatschappij. Ze houden zich stil uit onwetendheid. Heel gevaarlijk. Velen worden zo in de armen van extreem-rechts gedreven dat wél in verweer komt. En voor je het weet raakt de samenleving steeds verder gepolariseerd.” De motieven van critici trekt hij evenwel in twijfel: „Degenen die beweren dat racisme in Portugal geïnstitutionaliseerd is, behoren tot een elitaire minderheid. Ze willen op de verkeerde manier hun eigen positie vergroten.”

Volgens Oliveira e Costa moet er met een afstandelijke blik naar de geschiedenis worden gekeken, zonder in termen van ‘goed’ of ‘slecht’ te spreken. „Je kunt het niet door de ogen van vandaag zien. Het antwoord op de vraag waarom Europa in de zestiende en zeventiende eeuw de wereld wilde veroveren, is simpel. Op dat moment waren landen als Portugal, Spanje, Engeland en Nederland daar het beste voor ‘uitgerust’. Ze hadden het geld en de wapens. Punt.”

Het probleem is dat de meeste zwarten tot de onderste sociale laag behoren. Dáár moeten we iets aan doen.

Het gaat Oliveira e Costa met name veel te ver dat sommige Portugezen een moreel oordeel uitspreken in naam van slachtoffers van soms tien generaties terug. „Dan hebben we het dus over meer dan duizend verschillende grootouders van wie we afstammen. De kans is dan zelfs vrij groot dat ik van de 10 procent slaven afstam, die sinds de zestiende eeuw als bedienden en tuinders op zijn gegaan in de Portugese bevolking. En dat mensen die in het huidige Afrika zijn geboren juist nazaten zijn van slavenhouders. Vergeet niet dat geen enkel Europees land in de zestiende, zeventiende of achttiende eeuw een slag zonder de hulp van de lokale bevolking kon winnen. Miljoenen slaven, die door Afrikanen zelf waren buitgemaakt, werden door zwarte handelaren op de stranden van West-Afrika verkocht aan Europeanen.”

Het leggen van een verband tussen de slavernij, het koloniale verleden en het huidige racisme is volgens Oliveira e Costa dan ook „gevaarlijk en onterecht”. „Zwarte mensen kunnen in Lissabon ongestoord over straat lopen. Toch zal er van de duizend mensen die ze tegenkomen misschien altijd wel één of twee zijn die een racistische opmerking maakt. Heel fout. Maar dat maakt een heel land nog niet racistisch.”

In Portugal is volgens hem vooral sprake van een klasse-verschil. „Het probleem is dat de meeste zwarten tot de onderste sociale laag behoren. Dáár moeten we iets aan doen. Dus moeten we ervoor zorgen dat zwarten veel zichtbaarder worden. Op televisie, in de kranten. Een zwarte Portugees als nationale held ? Ja, dat kan. Neem Eusebio [afkomstig uit de voormalige Portugese kolonie Mozambique, red.] als grote ster van het nationale voetbalelftal. Niemand die dat gek vond. Hij ligt als nationale grootheid in het Pantheon van Lissabon begraven.”