In Maastricht gebruiken ze heel speciale meervouden

Taal Het Maastrichts is niet zomaar een dialect. Flor Aarts schreef een uitgebreid boek over zijn moedertaal. In het ‘Mestreechs’.

De bijzondere meervoudsvormen zijn maar één van de vele grammaticale eigenaardigheden van het Maastrichts.
De bijzondere meervoudsvormen zijn maar één van de vele grammaticale eigenaardigheden van het Maastrichts. Foto Sabine Joosten/Hollandse Hoogte

De sprekers van het Maastrichts hebben een aantal meervoudsvormen waar je als spreker van het Standaardnederlands jaloers op zou kunnen zijn. Het meervoud van ‘kop’ is in het Maastrichts: ‘köp’. Van ‘hals’: ‘hels’. Van ‘nagel’: ‘negel’. Van ‘vogel’: ‘veugel’.

Niks geen meervoudsuitgang. Je verandert gewoon de klinker en klaar.

Als een Maastrichtenaar de woorden ‘book’, ‘beuk’, ‘boek’ of ‘buuk’ in de mond neemt, bedoelt hij daar achtereenvolgens mee: boek, boeken, buik en buiken.

Sommige meervoudsvormen zijn in Maastricht zelfs korter dan de enkelvoudsvormen. Het meervoud van ‘land’ is ‘len’. Van ‘hand’: ‘han’. Van ‘hoond’ (hond): ‘hun’.

Het is maar één van de vele grammaticale eigenaardigheden van het Maastrichts die uitgebreid behandeld worden in een publieksboek dat Flor Aarts, emeritus hoogleraar Engelse taalkunde in Nijmegen, schreef over zijn moedertaal. Deze Liergaank Mestreechs is van een heel andere orde dan de meeste boeken en boekjes die er over dialecten verschijnen. Het is een professionele, degelijke mix van grammatica en leerboek, met veel voorbeelden en oefeningen, en ook nog eens fraai vormgegeven.

Ik schat dat 50 tot 60 procent van de inwoners nog Maastrichts spreekt

Flor Aarts emeritus hoogleraar

Het Maastrichts is ook niet zomaar een dialect. „Het heeft plaatselijk nog heel veel prestige”, zegt Flor Aarts. „Ik schat dat 50 tot 60 procent van de inwoners nog Maastrichts spreekt.”

Aarts schreef het boek voor sprekers van het ‘Mestreechs’ die zich in hun moedertaal willen verdiepen en zich vooral ook willen verbazen over de wonderlijke grammatica van het dialect dat ze iedere dag spreken en horen. Daarnaast is het boek bedoeld voor niet-Maastrichtstaligen die het Maastrichts graag willen leren verstaan. Of zelfs spreken. Zijn die er dan? Aarts: „Jazeker. Dan moet je denken aan ABN-sprekers die hier in Maastricht werken, bijvoorbeeld aan de universiteit, en die het leuk vinden om, als ze de kans krijgen, Maastrichts te spreken. Er zijn er die het uitstekend geleerd hebben. Ik ken er zelfs een paar van wie je niet kunt horen dat ze van huis uit ABN-sprekers zijn.”

De niet-Maastrichtstalige lezer van de Leergaank Mestreechs leert het Maastrichts alleen al passief door het boek te lezen, want de grammaticale uitleg is ook helemaal in dialect. Je went daar snel aan. „Is ’t Mestreechs ’n taol of e dialek en in welke opziechte versjèlt ’t Mestreechs vaan aander Limbörgse dialekte?” Deze vraag uit het eerste hoofdstuk geeft in zekere zin antwoord op zichzelf. Een ‘Hollander’ kan dit moeiteloos lezen, want je kunt dit woord voor woord naar het Standaardnederlands omzetten. Het verschil tussen Maastrichts en Standaardnederlands lijkt hier niet zo groot. Dezelfde woorden, maar je spreekt ze anders uit.

Maar daar staan veel zinnen tegenover die je als ABN-spreker niet meteen of helemaal niet begrijpt. ‘Heer leus noets de gezèt.’ ‘Dee heet mie mojles es sjiet.’ Achtereenvolgens: ‘Die leest nooit de krant’ en ‘Die heeft veel praatjes, maar doet niets’ (letterlijk: Die heeft meer praatjes dan schijt).

Nog echt ‘drie’ geslachten

Terwijl het Standaardnederlands de- en het-woorden heeft, heeft het Maastrichts nog echt ‘drie’ geslachten: mannelijk, vrouwelijk en onzijdig. ‘Een’ is, afhankelijk van het geslacht: ‘e’, ‘’n’, ‘’ne’. Een man: ‘’ne maan’. Een vrouw: ‘’n vrouw’. Een huisje (onzijdig): ‘e huiske’. ‘Mijn’ is, afhankelijk van het geslacht: ‘miene’, ‘mien’ of ‘mie’. Het is: ‘miene maan’, ‘mien vrouw’, ‘mie huiske’. Knappe ABN-spreker die dat nog helemaal onder de knie krijgt.

De spreker van het Maastrichts neemt die geslachten heel serieus. Hij zegt bijvoorbeeld: ‘Sjuif die taofel opzij. Ze steit m’ch in de weeg.’ Schuif die tafel opzij. Ze staat in de weg.

Het Maastrichts houdt niet van een t op het eind van een woord. Dat zie je al aan hoe ze hun stad noemen: Mestreech. En je ziet het aan veel werkwoordsuitgangen. Hij wandelt: ‘Heer wandelt.’ Maar: hij lacht is ‘Heer lach.’ En hij denkt: ‘Heer dink.”

Als Maastrichtstaligen Standaardnederlands spreken, hebben ze nog weleens de neiging om ook daarin die t’s weg te laten: ‘In Maastrich is ’t elke nach fees en krijg je nooit rus.’

De zogeheten sleeptoon

Het moeilijkste aan het Maastrichts is het verschijnsel ‘toon’: soms worden beklemtoonde klinkers met een opvallende, afwijkende intonatie uitgesproken: wat langer en wat hoger. Dat is de zogeheten sleeptoon.

Als je het woord ‘bal’ met een gewone intonatie uitspreekt is dat een feest waarbij gedanst wordt. Spreek je het uit met de sleeptoon, dan is het een voorwerp om mee te sporten of spelen.

Voor de gevorderden is er tot slot deze uitdaging: er zijn een heleboel bijvoeglijk naamwoorden die afhankelijk van hun functie in de zin een gewone intonatie dan wel een sleeptoon krijgen.

In ‘’n werm möts’ (een warme muts) krijgt ‘werm’ de gewone intonatie. Maar in ‘e werm huiske’ en in ‘’t Is hei väöls te werm’ (’t Is hier veel te warm) krijgt het de sleeptoon. Ga er maar aan staan.

De moedertaalspreker van het Maastrichts zal, naarmate hij vordert in dit boek, steeds verbaasder zijn dat hij dit allemaal doet en kan, zonder zich daar heel erg van bewust te zijn.

Flor Aarts: Liergaank Mestreechs. ’ne Cursus euver de Mestreechter Taol. 218 blz. Bestellen via info@jongebreinonderzoekfonds.nl.