Marc Albrecht, thuis in Berlijn.

Foto Gordon Welters

Interview

‘Ik ben dankbaar voor alles wat ik hier heb kunnen doen’

Afscheid dirigent Marc Albrecht Na negen seizoenen zwaait Marc Albrecht af als chef-dirigent van de Nationale Opera en het Nederlands Philharmonisch Orkest. In stilte – zonder grote operaproductie en zonder Ode an die Freude. „Mahlers symfonieën zijn hét hoogtepunt van de afgelopen tien jaar.”

Hoe doorstaat een orkestdirigent de coronatijd? Zonder honderd musici, maar met een kerkorgel als next best thing.

Dirigent Marc Albrecht (56) speelde wel piano, nooit orgel. Maar sinds half maart wandelt hij dagelijks van zijn huis in de Berlijnse wijk Charlottenburg naar de nabij gelegen kerk van de Lietzensee-gemeente - hij heeft een sleutel aan zijn bos. „Ik vond het deprimerend opeens totaal stilgelegd te zijn”, zegt hij. „Als een sporter die opeens niet meer mag bewegen hunkerde ik naar muziek maken, naar nieuwe uitdagingen en een dimensie naast de daagse realiteit van mijn jonge gezin, hoezeer ik daar juist nu ook van geniet. Het orgel dempt het gemis van een symfonieorkest. Grappig genoeg speel ik bijna alleen Bach. Bach op orgel is een evenement, in de klank én lichamelijk.”

Deze maand zou Marc Albrecht groots afscheid nemen als chef-dirigent van het Nederlands Philharmonisch Orkest en de Nationale Opera, met Beethovens Negende symfonie en Strauss’ opera Die Frau ohne Schatten. Het werd allemaal afgezegd, net als de in maart geplande, zeldzame uitvoering van Messiaens grootse Turangalîla-symfonie waarop Albrecht zich bijzonder had verheugd. „Het is allemaal extreem jammer, maar iedereen heeft nu teleurstellingen te verwerken. Pleister op de wonde is dat ik volgende week toch nog één laatste concert kan dirigeren, al is het voor maar dertig man publiek. Ik vind het vooral heel fijn dat het orkest en ik in elk geval nog één keer samen kunnen musiceren … Als ik na tien jaar met een lauwwarme videoboodschap de aftocht had moeten blazen, zou dat me als een maagzweer hebben achtervolgd.”

Uw geplande afscheid was met Strauss’ ‘Die Frau ohne Schatten’, de opera waarmee u in 2008 zo’n succes had dat het leidde tot uw benoeming. Welke verschillen tussen toen en nu zouden we hebben onderscheiden?

„Het orkest en ikzelf zijn in die twaalf jaar allebei veranderd. Zeker in het ‘zware’ repertoire bereiken we nu meer vrijheid en spontaniteit. Laat-romantische werken als de opera’s van Richard Strauss verlangen een transparantie die je alleen bereikt wanneer 120 musici tegelijkertijd precies doen wat ze moeten doen, niet te hard spelen, elkaar de ruimte gunnen … Dat is heel moeilijk. Maar als het lukt, bereik je een kleurenrijkdom die haast verblindend kan zijn. Ik hoop heel erg dat De Nationale Opera Die Frau ohne Schatten alsnog speelt, in een later seizoen. Decors, kostuums, alles ligt klaar. Zes weken tijd en ruimte om te kunnen repeteren is al wat we nodig hebben. We zijn erover in overleg.”

Wat had u verder graag nog willen doen?

„Meer Korngold, Schreker en Zemlinsky. Onbekende titels als Korngolds Das Wunder der Heliane, Zemlinsky’s Der König Kandaules – die zouden ontzettend goed in Amsterdam passen. Er zijn niet zoveel theaters met een neus voor avontuurlijk repertoire, een echt grote orkestbak en een zodanige akoestiek dat je de zangers ook nog goed hoort.”

Uw werk bij DNO en NedPhO waren succesvol, u heeft nog plannen, toch stapt u op. Waarom?

„Een orkest vooruit helpen, is zwaar werk. Als chef-dirigent ben je jarenlang aan het polijsten. Als de musici begrijpen dat dat een reis is die je samen onderneemt: geweldig. Maar een rimpelloos verloop is nooit vanzelfsprekend. Dat ik na tien jaar kan stoppen op een hoogtepunt en ook nog in harmonie als gastdirigent kan terugkomen, is ideaal. De chemie klopt, het orkest kan me lezen, ook zonder woorden.”

Het was misschien ook gewoon veel: orkest, opera én internationale gastdirecties.

„De balans was niet in orde, het werk is de afgelopen jaren vaak te veel geweest. Dat is geen klacht, ik ben heel dankbaar voor alles wat ik in Amsterdam heb kunnen doen, dáár was de situatie optimaal. De pijn zat bij de gastdirecties die ik ernaast deed, terwijl ik tegelijkertijd per se bij alle repetities voor de operaproducties betrokken wilde zijn. Ik zie uit naar een toekomst waarin ik me weer heer voel over mijn eigen agenda, met meer ruimte om te leven. Minder opera. Misschien op termijn weer een eigen symfonieorkest. Een andere, kalmere schwung.”

Marc Albrecht over 5 hoogtepunten uit 9 seizoenen als chef-dirigent

  1. Gustav Mahler, ‘Achtste symfonie’

    Nederlands Philharmonisch Orkest. (2019) Te zien op YouTube

    „Aan uitvoeringsreeksen van de symfonieën van Mahler lijdt Amsterdam geen gebrek. En toch is ook voor mij mijn cyclus met Mahlers symfonieën hét hoogtepunt gebleken van de afgelopen tien jaar.

    „Dat je als in opera gespecialiseerd orkest een symfonische Himalaya als deze zó kunt beklimmen, was onvergetelijk. Met elke symfonie kwamen we dichter bij het ideaal dat me voor oren stond. Uiteindelijk was er zelfs ruimte voor last minute spontaniteit. Als dat lukt, met zoveel musici in zulke complexe materie, dan ben je als dirigent zeer gelukkig.

    „Hoe dirigenten Mahler interpreteren, daar bestaan extreme verschillen tussen. Er staat niet zoveel in de partituur namelijk, je moet tussen de noten in lezen. Gaandeweg leer je Mahlers taal met elkaar dan steeds beter spreken. Zijn symfonieën zijn inhoudelijk orgieën van emotie, maar de vormen zijn klassiek. Binnen strikte kaders vrij en excessief kunnen zijn, dat is de uitdaging: hart en buik verbinden, intellect en gevoel verzoenen. Naar dat ideaal mogen reiken in het Concertgebouw, omringd door de geesten van onder anderen Mahler zelf, dat maakte het tot een onvergetelijke cyclus.”

  2. Wagner, ‘Parsifal’

    Nationale Opera. Regie: Pierre Audi. (2016) Trailer op TouTube

    „Vanaf het prille begin stond Wagners opera Parsifal hoog op mijn wensenlijst. Natuurlijk: het is een van de mooiste opera’s die er bestaan. Ik leidde uiteindelijk de reprise van een bestaande enscenering. Dat is altijd een curieuze situatie, omdat je met je eigen interpretatie een bestaande productie nieuw leven inblaast. Daar moet je met de regisseur uit zien te komen. Pierre Audi had het altijd meteen door als door mijn muzikale keuzes een overgang op het toneel plotseling anders moest. Dan vloekte hij en schudde zijn hoofd, maar hij vond altijd goede oplossingen. Dat is één van de aspecten die ik aan onze samenwerking zeer heb gewaardeerd. Audi laat altijd ruimte voor de muziek.”

  3. George Enescu, ‘Oedipe’

    Nationale Opera. Regie: Alex Ollé (2018)

    „Tot voor tien jaar geleden kende vrijwel niemand de opera Oedipe van George Enescu. Een geweldige opera, ik betreur het dat DNO uiteindelijk niet het eerste huis was waar de productie van regisseur Alex Ollé te zien is geweest. Maar belangrijker is dat we het hebben kunnen doen, en dat Oedipe door deze productie uit het falanx van onterecht onbekende titels naar voren is getreden.”

  4. Arnold Schönberg, ‘Gurre Lieder’

    Nationale Opera. Regie: Pierre Audi (2014). Kijken: 14/6 op operaballet.nl

    „Het scenisch brengen van de oorspronkelijk niet door Schönberg als opera gecomponeerde (symfonische cantate) Gurre Lieder was een van de spannendste projecten die ik de afgelopen tien jaar heb meegemaakt. Om het gigantische orkest – we zaten met 120 musici in de bak - om de extreem complexe logistiek, om het koor van DNO dat straalde en praalde op de toppen van zijn kunnen. Maar Gurre Lieder eiste van alle betrokkenen de uiterste grenzen van het mogelijke, en juist dat collectieve proces van álles moeten geven en niks achterhouden gaf ons vleugels. Dat heeft het publiek volgens mij gevoeld.”

  5. Richard Strauss, ‘Sinfonia Domestica’

    Nederlands Philharmonisch Orkest. (2020).

    „Zonder het destijds te beseffen was Strauss’ Domestica mijn slotakkoord als chef in Amsterdam. Terugblikkend kan ik daar heel goed mee leven. Deze symfonie, Richard Strauss’ reflectie op huiselijk geluk, is wat ondergewaardeerd. Je moet het lekker schalks en scherp en sarcastisch spelen, vol prikkelende humor, wars van wat wij Duitsers Bierernst noemen. Voor het orkest en voor mijzelf was het een eerste kennismaking met dit werk. En toch voelden de concerten heel licht en vanzelfsprekend aan, onze vertrouwdheid met Strauss’ idioom betaalde zich echt uit.”