Historische schaamte

Ewoud Sanders

Woordhoek

Het is een beetje vroeg in het seizoen om over Zwarte Piet te schrijven, maar premier Rutte heeft het onderwerp op de kaart gezet. Hij noemde Zwarte Piet nadrukkelijk niet racistisch, maar een traditie waar hij anders over is gaan denken.

De precieze oorsprong van deze traditie is al járen onderwerp van discussie. We weten dat Sinterklaas in 1850 voor het eerst hulp krijgt van een zwarte ‘knecht’ in een boekje van Jan Schenkman, maar hoe was hij op dit idee gekomen? De jongste theorie, in 2018 naar voren gebracht door historica Elisabeth Koning, is dat Schenkman is beïnvloed door zogenoemde blackface-optredens.

Karel Knip wees die theorie in NRC van de hand, maar meldde wel dat Schenkman met het fenomeen blackface bekend moet zijn geweest, want in 1854 beschreef de Amsterdamse broodschrijver zo’n schminkpartij in een zogenoemde Zadok-brief. Dit zijn brieven in nep-Joods dialect, ik bracht ze hier onlangs ter sprake. Omdat ik hun geschiedenis heb uitgezocht, stuitte ik op een onbekend puzzelstukje in de blackface-theorie.

Inderdaad, Schenkman laat zijn personage Levie Zadok zwart schminken met houtskool. Op een Haagse kermis wordt Levie dagelijks tentoongesteld als ‘Bosjesman’ uit Afrika. Hij moet zingen en dansen en gewapend met een lans bootst hij de leeuwenjacht na. Leden van het koningshuis en politici komen kijken, maar niemand heeft door dat hij een vermomde Amsterdamse schoenpoetser is. Versterkt dit dan toch de theorie dat ook Zwarte Piet iets met blackface-personages van doen heeft?

Nee, Schenkman persifleerde hiermee een actualiteit. In mei 1854 waren op de kermis in Den Haag voor het eerst in Nederland vier echte ‘Bosjesmannen’ te zien: Smoon de bosdokter, Junka de leeuwenjager en hun beider vrouwen. Ze kwamen uit Zuid-Afrika en waren hun tournee in Engeland begonnen, waar ze waren ontvangen door koningin Victoria. Dagelijks voerden ze, van elf uur ’s ochtends tot middernacht, een act van een half uur op. Vooral Junka’s gebulder bij de leeuwenjacht maakte veel indruk.

Alleen al in Den Haag kwamen vijftienduizend mensen kijken. Op 15 mei 1854 werden de „vier wilden”, zoals ze werden genoemd, „bezigtigd” door koning Willem III, prins Hendrik en prins Frederik. Na Den Haag deden de „Boschmenschen” Haarlem, Utrecht, Rotterdam en Amsterdam aan. Vrouwen en kinderen werd aangeraden om overdag te komen om de ergste drukte te vermijden.

Johan Huizinga bedacht in 1920 de woordcombinatie historische sensatie voor de opwinding die je kunt voelen als je direct in aanraking komt met het verleden. Er zou ook een uitdrukking bedacht moeten worden voor de plaatsvervangende schaamte die je kunt voelen bij de confrontatie met historische uitwassen.

Ik voelde die bij dit soort zinnen uit kranten: „Ze gelijken meer naar Apen dan naar Menschelijke Wezens”. Of: „Men kan hen zonder het minste gevaar naderen.” En: „Deze menschelijke wezens toonen ons tot welken lagen trap van ontwikkeling de mensch op enkele punten nog staat, zelfs al komen ze in aanraking met meer beschaafden.”

Ik voelde die schaamte óók toen ik las dat deze kermisartiesten in iedere Nederlandse standplaats door artsen op echtheid werden onderzocht, tijdens een apart bezoekuur. De namen van de bekendste artsen werden in advertenties genoemd. Hiermee was „gecertificeerd” dat dit geen blackface-„wilden” waren, maar echte. Met Smoon kon iedereen overigens praten, want hij sprak Kaap-Hollands.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.