Opinie

Uitzondering voor de luchtvaart voelt onrechtvaardig

luchtvaart

Commentaar

Nu de intelligente lockdown is opgeheven, volgt de inconsequente versoepeling. Afgelopen week bleek dat luchtvaartmaatschappijen de anderhalvemeterregel mogen negeren. VN-luchtvaartorganisatie ICAO stelde vorige week maandag dat zij de afstand moeten faciliteren „als de stoelbezetting het toelaat”. Oftewel: als het vliegtuig is volgeboekt hoeft het niet, want dan kan het niet. Ook het op 20 mei gepubliceerde protocol van EASA en ECDC, opgesteld in opdracht van de Europese Commissie, vroeg luchtvaartmaatschappijen alleen „voor zover mogelijk” te zorgen voor afstand.

Vanwaar deze uitzonderingspositie? De luchtvaartsector zelf voert er twee argumenten voor aan. Ten eerste is het niet rendabel om anderhalve meter afstand te handhaven: vliegtuigen zouden dan voor maximaal 62 procent bezet mogen zijn, terwijl de maatschappijen gemiddeld pas vanaf een bezetting van 77 procent winst maken.

Het tweede argument: vliegen zonder afstand is niet gevaarlijk. De lucht in de cabine wordt zo vaak ververst dat die „even schoon is als in een operatiekamer”, stelt luchtvaartlobbyclub IATA. Dat klinkt goed, maar toch zijn er gevallen bekend van overdracht van infectieziekten tijdens vluchten. Over de mate waarin dit gebeurt is in de wetenschappelijke literatuur nog weinig duidelijkheid.

De uitzonderingspositie van de luchtvaart leidde de afgelopen dagen tot publieke verontwaardiging. Als de twee argumenten kloppen, zouden ze ook moeten gelden in andere sectoren, zo klonk het: ondernemers in de horeca en de culturele sector hebben óók moeite hun zaken rendabel te houden, maar voor hen is er minder coulance. Dat voelt onrechtvaardig.

Een schrale troost voor deze ondernemers: hun inspanningen doen ze niet voor niets. Dat afstandsregels op sommige plekken worden losgelaten, betekent niet dat ze elders waardeloos zijn. Preventieve maatregelen zijn geen kwestie van alles of niets: elke risicoreductie kan op zichzelf de moeite waard zijn. Extra besmettingen door een iets te knusse vliegtuigbezetting zijn vervelend, maar niet zo vervelend als extra vliegtuigbesmettingen én extra horecabesmettingen.

Toch voelt het wrang dat de ene sector inlevert, terwijl de andere de dans ontspringt. De luchtvaartsector dankt zijn uitzonderingspositie, zoals wel vaker, aan zijn internationale karakter. Waar horeca en de culturele sector gehoorzamen aan nationale regels en richtlijnen, heeft de luchtvaart alleen te maken met de protocollen van VN en EC.

Door de rekkelijke protocollen ligt er veel verantwoordelijkheid bij de individuele reiziger. Die moet zo verstandig zijn om thuis te blijven met klachten, ook als dat betekent dat een vakantie niet doorgaat. Luchtvaartmaatschappijen zouden daarom de mogelijkheid moeten bieden om kort van tevoren kosteloos te annuleren, zodat wie wakker wordt met een kuchje gemakkelijk kan thuisblijven.

Nationale overheden, intussen, bevinden zich in een vreemde positie. Ze willen de volksgezondheid beschermen, maar zijn tegelijk vaak aandeelhouder van luchtvaartmaatschappijen, zoals de Nederlandse overheid dat is van KLM. Dat zakelijke belang zou niet de doorslag moeten geven. Als het gaat om treinreizen, vraagt de Nederlandse overheid burgers om alleen ‘noodzakelijke reizen’ te maken. Zo’n oproep zou ze ook kunnen doen aan vliegtuigreizigers. Het is dan aan mensen zelf om te bepalen of hun stedentripje noodzaak is of luxe – en of er geen alternatief vervoer is.