Opinie

Stedelijke natuur betaalt zich uit

Met een diepe recessie in het vooruitzicht, rijst de vraag hoe we de economie effectief kunnen stimuleren. Econoom pleit voor meer natuur in de stad. Het is een kostenefficiënte, duurzame investering die werkgelegenheid biedt, welzijn vergroot en biodiversiteit beschermt.
Op het dak van een pand in Gendt worden sedummatten geplaatst.
Op het dak van een pand in Gendt worden sedummatten geplaatst. Foto Gerald van Daalen/ANP

In 2050 woont naar verwachting 70 procent van de wereldbevolking in stedelijk gebied. Onze steden worden dus groter, voller en warmer. Het laten opbloeien van natuur, juist ook in de stad, is nodig om steden leefbaar en duurzaam te houden. De natuur heeft namelijk vele functies in de stad: op het gebied van klimaatbestendigheid zoals verkoeling (en dus publieke gezondheid) in snikhete zomers en sociale functies zoals recreatie en sociale cohesie in dichtbevolkte wijken.
Stedelijke natuur is ook een essentieel ingrediënt van de circulaire stad: het zorgt voor een langere levensduur van materialen (bitumen daken gaan langer mee met een zogeheten groendak erop), en energie-efficiëntie (met ‘groene’ verkoeling schaf je minder snel airconditioning aan). Bovendien helpt het onze biodiversiteit op peil te houden.
Steden worden dus steeds belangrijker om onze klimaat- en biodiversiteitsdoelstellingen te halen. Maar hoe financier je de uitbreiding van stedelijke natuur?

Financiering is struikelblok

De afgelopen twee jaar onderzocht ik – reizend per trein, veerboot en zoom door Europa – hoe natuur op grote schaal in Europese steden kan worden geïntegreerd. Ik keek met name naar de vraag waar we het geld voor vergroening van onze steden vandaan halen. Want ondanks alle functies van stedelijke natuur blijkt het financieren van groen in steden een struikelblok.
De baten van natuur zijn vaak moeilijk meetbaar en worden daarom niet meegenomen bij investeringsbeslissingen, wat de ‘business case’ lastiger maakt dan bij andere duurzame investeringen (zoals wind- en zonne-energie). Daarnaast komen de baten van natuur ‘versnipperd’ terecht bij verschillende publieke en private partijen waardoor er een coördinatieprobleem ontstaat. Voor elke individuele partij zijn de kosten van het integreren van natuur (in een pand, parkeerplaats, straat of nieuwe wijk) hoog.
Hoewel ook hier voortrekkers bestaan, lieten de interviews met vastgoedinvesteerders, banken en (her-)verzekeraars zien dat ze over het algemeen de ‘waarde wel zagen’ maar de investering niet hard konden maken, vanwege gebrek aan bewijs en voldoende rendement voor henzelf. Ze konden een investering in natuur – bijvoorbeeld als onderdeel van een vastgoedinvestering – gewoonweg niet ‘verkopen’ aan collega’s en investeerders.

Een investering in natuur blijkt nog steeds moeilijk te verkopen

Vaak bleek dat het hielp als de betrokkenen slechts een deel van de kosten hoeven te betalen, terwijl ze samen wel alle relevante baten realiseren en hiervan profiteren. Als ze samenwerken – allemaal een beetje geld in de pot doen – dan betaalt iedereen mee aan het behalen van elkaars doelen, en worden investeringen in natuur ‘kostenefficiënt’; zeg maar een win-win-win-win-winsituatie. Een gezamenlijke duurzame businesscase door middel van succesvolle collectieve actie.
Maar hoe dan, en wat is daarvoor nodig?

In Melbourne werd stedelijk groen ineens urgent toen de extreme hitte in 2015 een gevaar bleek voor de volksgezondheid. Doel werd de stad te transformeren tot een stedelijk bos, met daaraan gekoppeld het ‘Urban Forest Fund’. Geld van verschillende afdelingen bij de gemeente (groen, water, gezondheid) werd bij elkaar gebracht, naast geld ter compensatie van biodiversiteitsverlies van grote infrastructuurprojecten. Hiermee is een fonds opgezet waaruit particulieren en bedrijven tot de helft van de kosten van groeninvesteringen kunnen terugvragen – als vergoeding voor het realiseren van publieke doelen op hun eigen perceel. De eerste projecten zijn ondertussen gerealiseerd.
En in Kaapstad, waar extreme droogte de hele maatschappij en economie raakt, zette The Nature Conservancy (TNC) een ‘Waterfonds’ op waardoor bedrijven mee kunnen investeren in (groene) waterinfrastructuur. Met succes: bedrijven zoals Coca Cola – sterk afhankelijk van de watervoorziening – betaalden mee aan rivieronderhoud om droogte tegen te gaan. Ook in andere steden wereldwijd faciliteert TNC het opzetten van zulke fondsen.

Lees ook: dit verhaal over daktuinen die de stad verkoelen

Wat kunnen we hiervan leren in Nederland? Neem de groendaksector, wellicht een duurzame gazelle in coronatijd. Veel mensen zijn meer aan huis gebonden en gaan aan de slag met huis en tuin: een groendak kan een overweging zijn. De aanleg van een groendak kost zo’n 35 tot 80 euro per vierkante meter. Stel je voor dat bewoners pakweg 40 procent van deze kosten zelf willen dragen: omdat ze het mooi vinden, voor verkoeling, om vogels en bijen aan te trekken. De rest zou in stukjes gedragen kunnen worden door anderen, die elk een eigenschap van het groendak waarderen.

Subsidie vanuit het waterbudget

De bereidheid is er: veel gemeentes en waterschappen bieden subsidie voor dit soort daken vanuit het waterbudget. Verzekeraar Interpolis verlaagt de kosten voor een groendak door collectieve inkoopacties op te zetten, omdat dit schade aan het dak – en dus schadeclaims – kan verlagen. Verder zijn er organisaties die kortingen aanbieden voor groendaken vanwege de biodiversiteit die ze leveren. Ook wegen sommige financiële instellingen zoals ASN Bank en Triodos Bank biodiversiteit in hun portefeuille mee als criterium, en kunnen groendaken op deze manier gestimuleerd worden.
De collectieve inkoopactie van de verzekeraar zorgde in 2019 voor pakweg 30.000 vierkante meter aan groendak. De actie was zo succesvol dat het verantwoordelijke groendakbedrijf de vraag niet aankon en er extra bedrijven nodig waren. Zie hier het werkgelegenheidseffect van de betrokkenheid van slechts één partij. Inmiddels hebben alle betrokken partijen zich verenigd in het Nationaal Daken Plan.
Het is maar één voorbeeld om te laten zien dat natuur ecologische, sociale én economische waarde oplevert. Laten we daar – voor een duurzaam herstel uit deze crisis en ter voorkoming van een volgende – samen op een slimme manier in investeren.

Helen Toxopeus is onderzoeker bij het Sustainable Finance Lab en Utrecht School of Economics, beide van de Universiteit Utrecht

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.