Opinie

Nudge

Ellen Deckwitz

Gisteren ging ik wandelen met de neef (14) en ondanks de regen waren er nogal wat mensen in het park. Normaal wil hij dan meteen naar huis, maar nu was hij verdacht kalm. „Kijk eens naar me”, zei hij terwijl hij een maniakale grijns opzette, „zie je wat ik aan het doen ben?”

„Een tetanuspatiënt imiteren?”

„Ik ben aan het nudgen!”

„Hé?”

„Met deze lach ben ik mijn omgeving aan het beïnvloeden.”

Dat moest ik even verwerken.

„Waarom moeten ze worden beïnvloed?”, vroeg ik, licht gealarmeerd.

„Dan houden ze afstand”, glimlachte hij met zijn tanden op elkaar.

„Kan je net zo goed boos kijken.”

„Nee, nee, lachen is beter, boze mensen trekken boze mensen aan, terwijl je in dit soort tijden iedereen op afstand wilt houden. Nu let iedereen netjes op de anderhalve meter omdat ze denken dat ik een hele vriendelijke jongen ben!”

Met die hele redeneertrant was zoveel mis dat ik maar even mijn mond hield. Soms weet ik niet zeker in welke dimensie mijn neef zich nu weer bevindt.

Toen ik hem weer thuis afleverde, schoot ik zijn moeder aan.

„Je jongste loopt zijn omgeving te nudgen”, zei ik, terwijl mijn neef gloeide van trots. Hij legde zijn plan uit en toen werd mijn zus kwaad.

‘Ben je gek geworden”, brieste ze, „hou daarmee op!” „Maar het is wetenschap”, sputterde de neef. „Het is manipulatie”, zei ze, „als je zo doorgaat, vertrouw je straks niemand meer. Net zoals een leugenaar er op een zeker moment van overtuigd is dat iedereen tegen hem liegt.”

Mijn neefs glimlach verdween meteen, al wist ik niet of dat óók weer manipulatie was, alles was inmiddels zo meta geworden dat we het beste een sok over ons hoofd konden trekken om de rest van de dag te communiceren zonder mimiek.

Die avond belde hij. Dat het hem speet en dat hij mij nooit zou manipuleren. Ik probeerde om niet in lachen uit te barsten en zei dat dat een heel goed idee was.

„Hoe kwam je trouwens überhaupt op het idee om te gaan nudgen?”, vroeg ik.

„Kweetniet, ik zag zo’n filmpje ergens en dacht dat het een handige manier was om mensen dingen te laten doen zonder erom te hoeven vragen.”

„Wat is er mis met vragen?”

Ik hoorde hem haperen.

„Omdat ik de laatste tijd steeds banger ben voor ‘nee’”, zei hij zacht.

De daaropvolgende stilte was oprecht.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.