Coronawet van kabinet mag geen ‘vluggertje’ worden

De Coronawet De tijdelijke noodverordeningen over corona moeten worden vervangen door een wet. Maar op het concept is veel kritiek: de wet zou de grondrechten aantasten.

De normale dienstregeling wordt weer hervat nadat deze was aangepast vanwege de Coronacrisis, Utrecht CS.
De normale dienstregeling wordt weer hervat nadat deze was aangepast vanwege de Coronacrisis, Utrecht CS. Foto Olivier Middendorp

De wet waarin het kabinet de maatregelen wil vastleggen om het coronavirus te bestrijden geeft ministers te veel macht. Zo luidt de kritiek van gemeenteraadsleden en juristen, bleek deze week uit een rondgang van NRC. Vijf vragen over de wet waaraan het kabinet werkt.

  1. Waarom moet er eigenlijk een Coronawet komen?

    Eind maart, een maand na de eerste coronabesmetting in Nederland, werden er maatregelen genomen om verdere verspreiding van Covid-19 tegen te gaan. In veel landen werd de noodtoestand uitgeroepen om mensen binnen te houden. Nederland koos niet voor zo’n volledige lockdown, maar voor een lappendeken aan regels – vastgelegd in noodverordeningen. Hierin stond bijvoorbeeld het samenscholingsverbod voor meer dan twee mensen die géén afstand van anderhalve meter van elkaar houden.

    Die noodverordeningen zijn sindsdien steeds aangepast. Maar dergelijke verordeningen zijn bedoeld voor acute, lokale situaties – niet voor een maandenlange vorm van bestuur.

    Grondrechten mogen worden ingeperkt, maar alleen bij wet. „In een rechtsstaat kunnen noodverordeningen niet al te lang duren”, schreef minister Ferd Grapperhaus (Justitie en Veiligheid, CDA) vorige maand in een brief aan de Tweede Kamer.

    Normaal hebben gemeenteraden inspraak bij het instellen van een noodverordening, of toetsen zij die achteraf. Nu worden alle maatregelen die te maken hebben met de bestrijding van Covid-19 en de openbare orde vastgesteld door de voorzitters van de 25 veiligheidsregio’s (dus niet de 355 burgemeesters), na overleg met het kabinet. Een wet zou parlementaire controle mogelijk maken.

  2. Wat staat er in het wetsvoorstel?

    De wet regelt, net als de noodverordeningen nu, dat iedereen „een veilige afstand” van elkaar houdt. Wat die veilige afstand is – op dit moment anderhalve meter – wordt vastgesteld na advies van het RIVM. Die kan dus groter worden óf kleiner.

    De Coronawet moet „een juridische basis” vormen „voor een samenleving waarin het houden van afstand en gedragsvoorschriften van groot belang zijn, en zeker te stellen dat digitale middelen die bij de bestrijding van die epidemie kunnen worden ingezet, door niemand worden misbruikt”.

    De maatregelen gaan niet alleen over de openbare ruimte, maar ook over „besloten plaatsen” – achter de voordeur dus. Als er door „een gedraging of activiteit” een „ernstige vrees” voor de onmiddellijke verspreiding van Covid-19 ontstaat, kan een burgemeester bevelen om die activiteit te staken, staat er in het concept.

  3. Betekent dit dat de politie thuis mag binnenvallen om te controleren of bezoek genoeg afstand houdt?

    Het is niet aannemelijk dat de politie voor de deur staat als mensen bezoek hebben. Deze maatregel moet agenten vooral een juridische basis geven om grote feesten op te breken.

    Op de afstandsregel wordt overigens een uitzondering gemaakt voor bepaalde beroepsgroepen: agenten, verplegers, gevangenisbewakers, de brandweer en de kinderopvang. Ook is de definitie van ‘huishouden’ opgerekt, waardoor ook mensen die in studentenhuizen of groepswoningen wonen in het openbaar geen afstand hoeven te houden.

    Verder staat in het voorstel dat per ministeriële regeling evenementen worden kunnen verboden, gebieden kunnen worden aangewezen voor samenscholingsverboden, onderwijsinstellingen kunnen worden gesloten en het openbaar vervoer kan worden stilgelegd. Overleg met het parlement is vooraf niet nodig; achteraf kan er controle plaatsvinden.

  4. Is er draagvlak voor deze wet?

    De kritiek zwelt aan. De critici, onder wie gemeenteraadsleden, burgemeesters en juristen, vinden dat ministers grote ruimte krijgen om de coronamaatregelen in te vullen. En dat er niet duidelijk beschreven staat welke bevoegdheid gemeenten hebben om lokale maatregelen te nemen.

    Lees ook dit opiniestuk: Willekeur van coronaregels ondermijnt het vertrouwen

    Het College voor de Rechten van de Mens mist onder meer „beargumenteerde onderbouwing van de noodzaak”. De Nationale ombudsman zegt in het AD dat de wet een inbreuk doet op de grondrechten van Nederlanders. Er is veel kritiek op de bevoegdheid om achter de voordeur te handhaven. De Raad van State was daar eerder al zeer kritisch over, omdat het de grondwettelijk vastgestelde privacy zou aantasten.

  5. Wanneer moet de wet ingaan?

    Het streven van minister Grapperhaus is dat de wet op 1 juli kan ingaan. Dat zou betekenen dat het advies van de Raad van State én de wetsbehandeling in beide Kamers in de komende drie weken moet. Een aantal oppositiepartijen heeft al gezegd dat ze het wetsvoorstel serieus willen behandelen en niet, zoals PvdA’er Attje Kuijken, het bij radiozender BNR noemde, als „een vluggertje”.

    Als het wetsvoorstel wordt aangenomen, is het in beginsel een jaar van kracht. Voor eventuele verlengingen is parlementaire instemming nodig.