Waarschuwing: deze politicus twittert leugens

Sociale media Nadat Twitter een aantal tweets van president Trump aanpakte barstte de bom. Als de ophef één ding laat zien dan is het dat de normen over wat aanvaardbaar is op het internet aan het verschuiven zijn – in het libertaire Silicon Valley en ver daarbuiten.

Illustraties Martien ter Veen

Belangengroepen smeken er al jaren om, maar twee weken geleden bleek het plotseling toch mogelijk: Twitter pakte voor het eerst tweets aan waarin president Trump onwaarheden verspreidde en geweld verheerlijkte. Tweets over stemmen per post kregen de waarschuwing ‘lees de feiten’ en toen Trump twee dagen later twitterde „when the looting starts, the shooting starts”, besloot Twitter het bericht te verbergen omdat het niet voldeed aan de huisregels tegen het verheerlijken van geweld.

„We wisten dat vanuit communicatieperspectief de hel zou losbarsten”, aldus Twitters pr-chef in een reconstructie. Twitter kwam inderdaad in een mediastorm terecht. Rechtse stemmen beschuldigden het netwerk van censuur en Trump kondigde in een presidentieel decreet een onderzoek aan naar de mogelijkheid om socialemediabedrijven verantwoordelijk te houden voor door gebruikers geplaatste content. Toch was de beslissing vanuit pr-perspectief zo gek nog niet: Twitter heeft het imago weinig te doen tegen trollen en desinformatie. En terwijl concurrent Facebook meer investeert in het tegengaan van schadelijke content (onder meer via een wereldwijd factchecknetwerk), staat niet Twitter maar Facebook nu zwaar onder druk zijn beleid aan te passen.

In tegenstelling tot Twitter besloot het bedrijf van Mark Zuckerberg namelijk de berichten, die ook op Facebook en dochterbedrijf Instagram werden geplaatst, te laten staan. Wat betreft Trumps beweringen over poststemmen hield Facebook vast aan het omstreden beleid om politici niet te factchecken. Het bericht over het neerschieten van plunderaars, zo schreef Zuckerberg, lazen hij en zijn team „als een waarschuwing voor overheidsingrijpen, en we denken dat het belangrijk is voor mensen om te weten wanneer de overheid van plan is geweld te gaan gebruiken.”

Hoon was zijn deel. Vooraanstaande burgerrechtenactivisten zeiden na een ontmoeting met Zuckerberg „versteld” te staan vanwege zijn weigering „in te zien hoe Facebook Trumps oproep tot het gebruiken van geweld tegen demonstranten faciliteert”.

In de dagen daarna legden honderden Facebook-werknemers het werk neer, een unicum in de geschiedenis van het bedrijf. Zij meenden dat „de hatelijke retoriek die geweld tegen zwarte demonstranten propageert (…), geen bescherming biedt onder het mom van de vrijheid van meningsuiting”, aldus één van de ontevreden werknemers. Bijna 5.500 Facebook-werknemers vroegen Zuckerberg het beleid aan te passen, en een handvol nam ontslag.

Na Twitter greep vorige week ook Snapchat in vanwege de uitlatingen van Trump over het neerschieten van plunderaars. Het platform is van mening dat de president „raciaal geweld aanwakkert”. Het account van de Amerikaanse president wordt niet meer aangeraden op Snapchats centrale ‘Discover’-pagina. In een reactie beschuldigde Trumps campagneteam Snapchat van het „vervalsen van de verkiezingen van 2020″ en het „actief onderdrukken van kiezers”.

Omstreden uitzonderingsregel

Als de roerige episode één ding laat zien dan is het dat de normen over wat aanvaardbaar is op het internet aan het verschuiven zijn – in het libertaire Silicon Valley en ver daarbuiten. Zelfs de conservatieve president Trump blijkt met zijn decreet plotseling voorstander van het leggen van meer verantwoordelijkheid voor wat gebruikers plaatsen bij socialemediabedrijven.

Meer betrouwbaarheid, meer verantwoordelijkheid en minder manipulatie en haat – dat is wat gebruikers al jaren vragen van sociale media. En diezelfde verschuivende normen lagen aan de basis van Twitters beslissing om Trumps tweets te beperken, blijkt uit de reconstructies die onlangs in Amerikaanse media verschenen.

Twitter besloot al in maart 2019 een uitzonderingsregel voor politici en andere hoogwaardigheidsbekleders aan te passen. Tot dat moment zag het bedrijf tweets van politici waar gewone gebruikers voor geschorst zouden worden door de vingers vanwege hun „nieuwswaardige” karakter. Maar binnen het bedrijf bestond toen al langer onvrede over de uitzonderingsregel omdat hij politici in staat stelde onbelemmerd groepen tegen elkaar op te zetten. Twitter besloot tweets van politici die de regels overtraden niet te verwijderen, maar ze te verbergen en van een waarschuwingslabel te voorzien. Het was dus slechts een kwestie van tijd, gezien de communicatiestijl van de Amerikaanse president, voordat één van Trumps tweets zo’n label opgeplakt zou krijgen.

Ondertussen stond het bedrijf onder druk om de grote hoeveelheid desinformatie op het platform aan te pakken. Het besloot tijdens de coronavirus voor het eerst waarschuwingslabels te plaatsen bij tweets met misleidende informatie. Dat maakte binnen het bedrijf de geesten rijp om vaker dergelijke waarschuwingen te plaatsen, zo blijkt uit de reconstructies, ook bij onzin-tweets die niet over corona gaan.

Lees ook het opinieartikel: Trump heeft gelijk over Twitter

De beslissing van Twitter was dus al jaren in de maak, omdat het bedrijf anders is gaan denken over zijn eigen verantwoordelijkheid. De ophef over het uitblijven van actie van Facebook valt in hetzelfde licht te zien. In het libertaire Silicon Valley, dat doorgaans maximale ruimte geeft aan de vrijheid van meningsuiting, staan nu voor het eerst werknemers op tegen Facebook omdat de vrijheden die hun werkgever de president biedt in hun ogen minderheidsgroepen en demonstranten in gevaar brengt.

Die kanteling in Silicon Valley is weer het gevolg van een bredere maatschappelijke verschuiving in het denken over de grenzen van de vrijheid van meningsuiting op internet. „Het keerpunt waren de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2016”, zegt mediawetenschapper Bharath Ganesh. Hij doet al jaren onderzoek naar desinformatie en haatzaaien op internet, eerst aan de universiteit van Oxford en nu aan de Rijksuniversiteit Groningen. „Voor de verkiezing van Trump vertrouwden de platforms grotendeels op gebruikers om schadelijke content te melden. Maar toen duidelijk werd dat er ondanks dat beleid enorme hoeveelheden politiek nepnieuws op de platforms rondging en kiezers bovendien online werden gemanipuleerd door Russische actoren, groeide de roep om actiever in te grijpen.”

Eigenaar rommelmarkt

Techbedrijven werden in de jaren daarna in het Amerikaanse congres, het Europees Parlement en het Britse Lagerhuis gegrild vanwege hun rol bij de manipulatie van verkiezingen en de Brexit. Daarop volgde een periode van bezinning, waarna Facebook onder meer een wereldwijd factcheck-initiatief lanceerde en in de loop van de jaren tienduizenden moderatoren in dienst nam om schadelijke berichten te verwijderen. Twitter verwijderde tientallen miljoenen nepaccounts en blokkeerde extreemrechtse en jihadistische gebruikers. Een stortvloed aan kleinere maatregelen volgde. Van het lastiger maken voor anti-vaxxers om geld te verdienen met misinformatie, tot betere bescherming voor kinderen tegen digitale kinderlokkers en meer transparantie rond politieke advertenties.

Maar die kentering wil niet zeggen dat de platforms voor 2016 compleet neutrale doorgeefluiken waren, zegt mediajurist Paddy Leerssen, verbonden aan het Instituut voor Informatierecht (UvA). „Sociale mediabedrijven grepen altijd al in bij spam, kinderporno en andere zaken waar niemand bezwaar tegen heeft als ze verdwijnen. Het verschil met de situatie na 2016 is dat ze nu steeds meer ingrijpen op meer controversiële gebieden.” Het verwijderen van een kinderpornonetwerk levert nu eenmaal een stuk minder weerstand op dan het blokkeren van een politieke commentator vanwege haatzaaien.

Lees ook: De haat-liefdeverhouding van Trump en Twitter

Het roept de vraag op welke rol socialemediabedrijven nu precies spelen in het maatschappelijke debat. Zijn zij neutrale doorgeefluiken van informatie, vergelijkbaar met post- en telecombedrijven óf mediabedrijven met een verantwoordelijkheid voor wat ze gebruikers voorschotelen? Het antwoord dat experts, wetgevers, maar ook topmannen van techbedrijven nu steeds vaker geven is: iets ertussenin.

In een recent Kamerdebat over de implementatie van een EU-richtlijn voor audiovisuele diensten gebruikten Kamerleden en minister Slob de metafoor van een rommelmarkt. In de eerste plaats zijn de eigenaren van de kraampjes verantwoordelijk voor wat ze aanbieden, maar in sommige gevallen is ook de eigenaar van de rommelmarkt aansprakelijk voor illegale zaken. Daar moet de nieuwe EU-richtlijn dus ook voor gaan zorgen als het gaat om aanbieders van online video, zoals Netflix en YouTube, maar wellicht ook Facebook, Instagram en TikTok.

Brussel morrelt al langer aan de wettelijke bescherming die internetplatforms genieten. In mei 2016 stelde de EU een gedragscode op met techbedrijven voor het tegengaan van online haatzaaien. Daarin beloven de platforms door maatschappelijke organisaties gemelde haatberichten binnen vierentwintig uur te verwijderen. Duitsland maakte die afspraak in 2017 verplicht, en ook het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk voeren binnenkort regels in voor het verplicht verwijderen van haatberichten binnen 24 uur. De EU volgt waarschijnlijk met een vergelijkbare verplichting in de nieuwe Digital Services Act, die eind dit jaar wordt verwacht.

Maar het aanpakken van desinformatie blijft juridisch een heikel punt, zegt mediajurist Leerssen. „Een verbod op nepnieuws en desinformatie staat al snel op gespannen voet met de vrijheid van meningsuiting.”

In een rapport aan de Tweede Kamer doen hij en een aantal mede-auteurs de aanbeveling om te onderzoeken of het proces voorafgaand aan de verspreiding van desinformatie kan worden gereguleerd. „Denk aan hoe bots worden gebruikt om het online debat te manipuleren. De programmaatjes maken het mogelijk te doen alsof er veel meer mensen dan in werkelijkheid achter een idee staan. Je zou gebruikers van geautomatiseerde accounts kunnen verplichten dat te melden aan platforms, zodat zij kunnen ingrijpen of tenminste kunnen laten zien dat een discussie wordt beïnvloed door nepaccounts. Zo zorg je ervoor dat liegen niet strafbaar wordt, maar bescherm je wel de integriteit van het publieke debat.”