Opinie

Voed vernieuwing in de kunst, maar wees ook zuinig op kwaliteit

cultuursubsidie

Commentaar

Bij 220 kunstinstellingen in Nederland stond 4 juni met uitroepteken in de agenda. Mocht de vlag uit, of ging deze half stok? De Raad voor Cultuur, wettelijk adviesorgaan van de regering, maakte die dag zijn adviezen bekend over de invulling van de basisinfrastructuur voor kunstsubisidie 2021-2024. Het devies: ruimte voor vernieuwing.

„Kwaliteit is het belangrijkste criterium. Daarna komen vernieuwing, eerlijke beloning, geografie, educatie en participatie”, vatte Raadsvoorzitter Marijke van Hees de besluitvorming samen. Maar aandacht voor de codes diversiteit, eerlijke beloning en good governance was dit keer een harde voorwaarde, een „weigergrond”. Niet omdat de 200 miljoen euro Rijkscultuursubsidie per jaar tot dusverre niet goed werd besteed, wel omdat „kunstenaars en publiek van alle verschillende cultuurvormen elkaar momenteel nog te weinig vinden”, aldus de Raad in de in november gepubliceerde uitgangspuntennota Cultuur dichtbij, dicht bij cultuur.

Kunst is, zoals de Raad voor Cultuur zelf stelt, zuurstof voor de samenleving. Een vrijplaats waar je ontroering, troost en zelfs woede en walging kunt ervaren. En kunst is persoonlijk: de beleving ervan, maar ook de passie en het zweet van de kunstenaars die instellingen groot maakten en maken.

Dat de Raad ruimte wil vrijmaken voor nieuwe, breed gewaardeerde genres als urban dance, e-cultuur en popmuziek, mag weinig discussie losmaken. Datzelfde geldt voor het benoemen van twaalf ‘regionale musea’: voor elke provincie één. Ingewikkelder wordt het aan de rand van de snijtafel, waar bestaande, artistiek positief door de Raad beoordeelde gezelschappen buiten de boot vallen ten gunste van instellingen die maatschappelijk vernieuwender zijn, of beter over de grens van hun eigen discipline kijken.

Onder de 113 afgewezenen zitten pijnlijke voorbeelden. Het Scapino Ballet in Rotterdam bij voorbeeld, maakt plaats voor Club Guy & Rony in Groningen, „een vernieuwende, frisse stem in het danslandschap”. Het legendarische Orkest van de Achttiende Eeuw wijkt voor het „onvermoeibaar creatieve” Holland Baroque, dat barokmuziek onder meer met behulp van diverse crossovers „een fris elan” verleent. Kamerkoor Cappella Amsterdam, al langer vechtend voor zijn voortbestaan, wordt voorbijgestreefd door het niet vocaal betere, wel slagvaardiger Nederlands Kamerkoor (Utrecht). En zo zijn er meer praktijkvoorbeelden van beslissingen waar vernieuwing, spreiding en pluriformiteit wel degelijk de doorslag hebben gegeven. De mét rijkssubsidie in decennia opgebouwde kwaliteit van getroffen gezelschappen wordt in voornoemde gevallen door de Raad benoemd en erkend, maar het geld is op. In een komend kunstenplan, dat aan weer nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen ruimte moet bieden, mag preventie van dit soort afbraak een urgent aandachtspunt zijn.

Sommige gezelschappen richten hun hoop op voortbestaan nu op het Fonds Podiumkunsten, private sponsoren of subsidie van gemeenten of provincie, die alle weer hun eigen afwegingen maken. Nieuwe ronde, nieuwe kansen. Maar in een deel van de gevallen kan de afwijzing door het Rijk wel degelijk een definitieve val van het doek betekenen. Ook omdat de cultuursector door maandenlange sluiting van de zalen zwaar onder druk staat, en veruit het grootste deel van de crisissteun uitgaat naar Rijksgesubsidieerde instellingen. Winner takes all.