Opinie

Plompverloren zonder mening

Marjoleine de Vos

Het zinnetje waar ik nu vaak aan denk komt uit een liedje van cabaretgroep Don Quishocking: „Nou dan zit je plompverloren zonder mening”. Dat lied ging over vakanties in het buitenland waar je je eigen krant niet hebt en dan zit je dus zonder mening „want die staat niet in een buitenlandse krant”. „Blijf toch gezellig in Nederland!” zongen ze na de opsomming van allerlei ellende in het buitenland – geen wasserettes, door een slang gebeten, dat soort dingen. „Wat doe je dan ook in de Apenijnen?” Ja, dat lied uit 1970 is weer aan alle kanten toepasselijk vandaag de dag.

Ook wat betreft de beetje ruzieachtige toon – de een gaat naar het buitenland, de ander zegt je lijkt wel gek. En ik zit zonder mening. Over alles eigenlijk.

De onzekerheid over wat dit nu eigenlijk voor virus is en hoe het te bestrijden, heeft bijna groteske vormen aangenomen, vooral omdat alles op álle gebieden speelt. We lezen voortdurend over filosofisch onverenigbare uitgangspunten (‘elk leven is er één’ tegenover ‘waarom moet iedereen lijden voor de ouderen’), de een beschuldigt mensen die bij elkaar komen van asociaal gedrag, de ander zegt dat we op moeten houden iedereen op te sluiten en dat de kwetsbare mens zichzelf maar op moet sluiten, dát zou solidair zijn. De economie zo onder druk zetten is „zelfmoord”, zegt schrijver Lionel Shriver. „Mensen houd je toch aan de maatregelen” roept de IC-arts. De gezichtspunten – dat woord kan bijna niet letterlijk genoeg genomen worden – lopen zó ver uiteen dat je je afvraagt hoe mensen er óóit in slagen een echt gesprek met elkaar te hebben. Dat wat ze voor hun ogen zien gebeuren, is totaal verschillend.

Is het weer eens de kletsende klasse die anderen verbiedt te vliegen, de kroeg in te gaan, ‘normaal’ te leven? De gebruikelijke betweters? Of zijn het degenen die werkelijk verstand van iets hebben die aandringen op deze maatregelen? En wáár hebben ze dan verstand van?

Een mening staat wel degelijk in elke krant, maar het is nooit eens dezelfde mening. Waardoor zich een merkwaardig soort passiviteit van mij meester maakt, een ‘ik zie wel’, een ‘ik wacht wel af, maar ik doe niet hysterisch’. ‘Ja mákkelijk’ roept de ook innerlijk aanwezige meningenmachine dan meteen: jíj hebt niets te klagen, jij kunt je permitteren om gewoon thuis te werken, enz.

Je krijgt vanzelf de neiging om naar een ‘ze’ te zoeken die je ergens de schuld van kan geven, die je hun maatregelen kunt verwijten, tegen wie je brutaalweg kunt zeggen: stik er maar in! Ik blijf niet langer thuis! Ik ga, ik ga… – maar wát ga ik dan eigenlijk? Heus niet in een vliegtuig zitten of in een druk café, als dat er al zou zijn. Ik zou sommige mensen wel graag weer eens in levende lijve spreken, maar dat zoveel sociaal gedoe is verdwenen – ach. Eigenlijk wel fijn, ik beken het beschaamd.

Soms denk ik aan een gedicht van Chr. J. van Geel, dat gaat over regendruppels die in een sloot vallen, ‘Wijde regen’ heet het. Hij noemt de druppels „baders die met koetsjes komen”. Een mooi beeld voor iedereen apart. Het is maar een heel kort gedicht: ,,elk zijn plaats, ook in de sloot/ afstand houdt de kringen gaaf”. Het is waar, nu ook in allerlei door de dichter nooit bevroede betekenissen.

En ik verbaas en verheug me er maar weer eens over dat je aan zo’n klein gedicht zoveel hebt, meer dan aan allerlei opinies, omdat het een beeld en een formulering biedt voor het leven zoals het nu is. Geen mening.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.