Behandelaars ggz vinden digitale zorg vaak te beperkt

Onderzoek Verzekeraars hopen dat digitalisering wachtlijsten kan verkorten. Psychiaters en psychologen zien hun patiënten liever in het echt.

Psychiaters en psychologen zien hun hun patiënten liever face-to-face dan via de computer, blijkt uit onderzoek. Foto Roos Koole
Psychiaters en psychologen zien hun hun patiënten liever face-to-face dan via de computer, blijkt uit onderzoek.

Foto Roos Koole

Psychiaters en psychologen zien weinig in behandelen op afstand. Slechts één op de honderd behandelaren geeft de voorkeur aan beeldbellen boven echt contact. Dat blijkt uit onderzoek van het UMC Utrecht onder 592 psychologen en psychiaters, maandag gepubliceerd in het Tijdschrift voor Psychotherapie.

Door de coronamaatregelen zien behandelaren hun patiënten sinds maart via de telefoon, tablet of computer. Tegen de onderzoekers zeggen ze bepaalde behandelmethoden via beeldbellen niet te kunnen toepassen. Zelfs als digitaal behandelen net zo effectief blijkt als in levenden lijve, „lijken psychiaters en psychologen er simpelweg niet op te zitten wachten”, schrijven de onderzoekers.

Terwijl zorgverzekeraars juist zo enthousiast zijn over de door de coronacrisis razendsnelle digitalisering van de ggz-zorg. Grote verzekeraars willen dat straks meer dan 15 procent van de ggz-zorg voor een belangrijk deel digitaal wordt verleend, zeggen ze tegen NRC. Vaak zal het om een ‘gemengde’ behandeling gaan, met online én reguliere behandelingen.

Verzekeraars hameren al jaren op het belang van digitalisering als manier om de wachtlijsten terug te dringen. Daarop stonden voor de coronacrisis 90.000 mensen. Als mensen met lichtere klachten sneller digitaal geholpen worden, komt ruimte vrij voor patiënten die de behandelingen in levenden lijve écht nodig hebben, is het idee. „Digitalisering is een belangrijke oplossing om zorg toegankelijk te houden”, zegt een woordvoerder van zorgverzekeraar CZ.

Lees ook: ‘Eigenlijk wil je een patiënt die angstig is een hand op z’n rug leggen’

Verzekeraars hopen het taboe te doorbreken dat een digitale behandelrelatie minder goed zou zijn dan een reguliere behandeling. Volgens zorgverzekeraar Menzis is de behandelrelatie soms zelfs beter, omdat meer behandelmomenten mogelijk zijn: patiënten kunnen vanuit hun woonkamer op zondagmiddag even met hun behandelaar bellen.

Zware gevallen

De vraag is „wie met de plannen van de verzekeraars geholpen is”, zegt Jim van Os, hoogleraar psychiatrie en een van de drie onderzoekers van het UMC Utrecht. Niet de zwaardere en ingewikkelde gevallen, zegt hij.

Waar nieuwe medicijnen eerst onder strenge regels getest worden voor ze toegepast mogen worden, lijken volgens de onderzoekers in de psychologische zorg „andere regels te bestaan”. Daar wordt éérst iets ingevoerd en „daarna gaan we pas uitzoeken of en hoe het werkt”. Of een bewezen effectieve face-to-face-behandeling digitaal dezelfde resultaten levert, is niet onderzocht.

Van Os zegt dat digitaal behandelen „als een sprong in het diepe” voelt. Voor de coronacrisis was minder dan 5 procent van de ggz-zorg gedigitaliseerd, schat de woordvoerder van Menzis

‘Het probleem is dat verzekeraars om tafel gaan met psychiaters en psychologen en denken vanuit gelijk perspectief te kunnen spreken.’

Patiënten lijken zelf óók nog niet altijd tevreden over de huidige alternatieve vormen van psychische hulp, bleek begin mei uit een onderzoek van het Trimbos-instituut en patiëntenvereniging MIND. Driekwart van de ondervraagden gaf aan het reguliere contact te missen. Eén van hen zei: „Beeldbellen haalt het niet bij echt even iemand zien.”

Verzekeraars benadrukken dat digitale zorg „veel verder moet gaan dan het vervangen van face-to-face-contact door beeldbellen”. Menzis hoopt dat zorgverleners „innovatief gebruikmaken van digitale mogelijkheden”.

De patiënt, zeggen de zorgverzekeraars, heeft uiteindelijk altijd het laatste woord over hoe hij of zij behandeld wil worden. De onderzoekers schrijven dat de patiënt zich „in de praktijk regelmatig moet schikken naar de behandeling die de betreffende instelling aanbiedt”.