Kersen moet je áltijd redden

Wat eten we? Van de oude kersengaarden is dit seizoen niet veel over, nu staan er tengere, goed ingepakte boompjes. De kersenteelt heeft te maken met een flink aantal vijanden.

Foto Getty Images

Van Zeeland tot de Betuwe en van de Kromme Rijnstreek tot Zuid-Limburg worden weer kramen, karren en hutten geopend waar kersen worden verkocht. Het seizoen is begonnen. Streekgenoten en dagjesmensen hopen hun gaarden van weleer te bezoeken, met hoge bomen en rammelende blikken tegen de spreeuwen. Ze zullen die nog nauwelijks treffen. De boompjes zijn tenger geworden en de gaarden ingepakt alsof het imkers zijn. Dat moet, weten de boeren: een kers moet altijd worden gered.

De oude kersenboomgaard. Grote, oude bomen tot wel vijf verdiepingen hoog. Tussen de takken plukkers op nog langere houten ladders – leren –, door normale stervelingen niet te verplaatsen. Boven het bladerdek steekt een toren uit waaraan touwen zijn gespannen. In die toren staan jongens en meisjes uit het dorp die aan de touwen kunnen trekken als de spreeuwen komen. Ze laten de blikjes aan het andere eind rammelen en verjagen zo de vogels. Houtje-touwtje, letterlijk, maar veel beter dan de vroegere technieken: rondlopen met ratels, brommers zonder uitlaat en gaskanonnen. Onder de bomen is ruimte voor vee. Wie de koeien in het oogstseizoen niet elders liet grazen, riskeerde dat Bertha 38 zich als ze jeuk had aan de ladder kwam schuren en de plukker naar beneden donderde.

Eeuwen waren de bomen hoog, nu niet meer. De leren zijn onhandig, het plukken is ingewikkeld. Toen ook nog de lonen omhooggingen, leken de Nederlandse kersen het definitief van de buitenlandse te gaan verliezen. Tot de laagstamboom werd bedacht. De kersen werden geënt op stammen die lang zo groot niet werden, waardoor de plukkers toe kunnen met trapjes van hooguit een sport of vijf, in plaats van vijftig. Een stuk makkelijker.

Hagel en regen

De hoofdbrekens voor telers waren daarmee niet opgelost. De lage boompjes zijn vatbaarder voor vorst in het voorjaar, waardoor boeren soms tijdens de bloei nog warme lucht moeten rondblazen of vuurtjes moeten stoken. Hagel is een gevaar. Ook regen. De bomen waaien minder snel droog. Wat water bij het steeltje of een druppel aan de onderkant kan de vruchten al laten barsten. De teler lost dat op met kappen.

Droogte is natuurlijk ook niet goed, dus kregen de bomen bewateringssystemen. Althans: als dat mag, want in droge gebieden als Zuid-Limburg zijn die niet toegestaan. En dan is er nog het suzukifruitvliegje, een nieuwe exoot die uitzonderlijk veel schade kan aanrichten in de gaarden. Speciaal gaas en gif helpt, maar de vlieg maakt de biologische kersenteelt in Nederland nagenoeg onmogelijk. Nou is dat sowieso nauwelijks te doen, omdat alleen idealisten en liefhebbers zich wagen aan het bewerkelijke proces. Eraan verdienen is moeilijk. Ook het coronavirus leidt tot problemen. Die mooie hoogstambomen zijn al lang niet meer rendabel, ze staan er vooral nog voor de toeristen. Bussen vol Chinezen kwamen vorig jaar nog kijken en vertrokken met kilo’s kersen, buiten groothandelaars en supermarkten om. Die komen dit jaar ook niet meer.

Welbeschouwd is het niet raar dat de moderne kersenboompjes zo klein, vertroeteld en stevig ingepakt zijn. Een kers moet altijd, echt áltijd worden gered.